Zomerland

Alcar en André reizen in het leven van de geest naar de vierde sfeer van licht. In 'Een Blik in het Hiernamaals' wordt deze sfeer uitvoerig besproken. 

André zag een schitterend landschap voor zich met bomen, water, prachtig gekleurde vogels en bloemen zoals hij ze op de aarde nog nooit gezien had in onnoemelijke tinten. Het uitspansel had een lichte, paarsblauwe kleur en schitterde soms in goudgele glans. Voor al deze pracht kon hij geen woorden vinden. Wanneer hij haar met iets zou willen vergelijken, dan zou een stralende, vroege zomermorgen, wanneer de mens de natuur tot zijn gemoed voelt spreken, haar nog het dichtst nabijkomen. Maar zelfs al was dit een van de heerlijkste ochtenden welke men ooit beleefde, dan zou het nog maar een zeer gebrekkige vergelijking zijn, want Gods heilig Licht en de stralende warmte welke in het Zomerland heersen, zijn niet te beschrijven. 
Een Blik in het Hiernamaals p. 196 
Ze gaan naar het Zomerland omdat de kennis over het ontstaan van de ziel en het heelal tot deze graad van bewustzijn behoort. 

'Zie', hoorde hij zijn leider zeggen, 'de vierde sfeer. Daarginds zie je de tempel der ziel waarin wij aanstonds binnentreden.' Hoog en verheven, boven alles uit, stond de tempel der ziel. Uit sneeuwwit marmer was dit gebouw opgetrokken en het geheel straalde licht uit, dat hij reeds van verre kon waarnemen. Daar zou hem een groot wonder worden getoond. Hoe gelukkig was hij, nu hij dit wist. Hier, in de vierde sfeer, was iedereen gelukkig. Alles had een eigen uitstraling en hier bezat men die grote, reine en zuivere liefde, die eenieder verwarmde. De mensen, die hij waarnam, straalden een licht uit, dat men op aarde niet kon beleven. Hier omstraalde het innerlijke wezen het uiterlijke, dat men kon waarnemen. De vogels zongen hun lied voor de zusters en broeders, die hier leefden en eens op aarde hadden geleefd. Nu waren zij gelukkig, heel gelukkig. Hij moest aan al dat geluk niet denken, want nog was hij op aarde. Hij had zich vele malen afgevraagd, waarom de één zover was en de ander nog in leed verkeerde. In duizend dingen waren de mensen verongelukt. Dit zou nu allemaal voor hem opgelost worden en zou hij begrijpen waarom al deze wezens zover waren. Zie deze schoonheid en hoe rein al deze mensen zijn. Zie hun gewaden! Het lag los om de schouders en dit was hun bezit. Het was niet mogelijk hun dit kleed, dit schone gewaad te ontnemen, want de geest had zich dit eigen gemaakt. Wonderlijke kleuren zag hij, niet te beschrijven. (...) Alcar droeg verschillende gewaden. Wanneer zijn leider zich op aarde liet zien, dan aanvaardde hij meestal de toestand, zoals zijn laatste leven op aarde was. Dan zag hij zijn leider als een schilder, de meester uit vroegere eeuwen. Maar wanneer hij aan gene zijde was, dan zag hij langzaam zijn aardse kleed oplossen en hoe hoger zij gingen des te schoner werd Alcars gewaad, totdat hij zijn eigen sfeer was binnengegaan. Daar eenmaal aangekomen, bleef zijn gewaad zoals zij droegen die daar leefden en was er geen verandering meer mogelijk. Ook dat was wonderlijk. Langzaam ging het geestelijke gewaad veranderen in duizenden tinten, van zachte kleuren. Dat is het bezit van de geest, van de mens die liefde droeg en voor ieder leven open stond. 
Het Ontstaan van het Heelal p. 44-48