Wroeging
Toen de geleerde tot zichzelf kwam ging hij de wroeging voelen die hij al jaren probeerde te onderdrukken. Hij had tijdens zijn aardse leven een vrouw in de steek gelaten, die een kind van hem droeg. In zijn geestelijk leven zoekt hij naar een manier om dit goed te maken, om de vrouw het geluk terug te geven dat hij zelf vernietigd heeft. Hij vraagt aan Alcar of hij hiervoor terug naar de aarde mag, of hij hiervoor een nieuw lichaam kan krijgen. O, mijn vriend, mijn broeder, weet je waarover ik al die jaren heb nagedacht?' Ik wist het, maar vroeg hem: 'Wel, waarover dan?' 'Over een nieuwe geboorte, de wedergeboorte op aarde. Weet je of dit mogelijk is?' (...) 'Dat alles is prachtig', zei hij, 'maar wanneer men hier is binnengetreden, ziet men wat het leven op aarde betekent. De mens op aarde kent zichzelf niet. Zij weten daar niet, dat wij leven en toch, zie naar dit alles! Hoe heb ik over mijzelf nagedacht. O, als ik daar eens mocht terugkeren, als mij die mogelijkheid kon worden gegeven, hoe zou ik dan mijn best doen. Dag en nacht zou ik werken en mij geheel geven. Ik heb niet liefgehad en de liefde, die men mij gaf, heb ik bezoedeld. Anderen heb ik niet begrepen en wilde dat zelfs bewust niet. (...) 'Ik zou willen dienen', zei hij 'dienen, steeds dienen. Ik weet nu, dat dit de enige mogelijkheid is om vooruit te kunnen komen.' (...) 'Waar zou zij zijn? Nog op aarde, of reeds aan deze zijde? Dit houdt mij bezig, steeds moet ik er aan denken. Ik verwoestte haar leven en haar jeugd en zou dit goed willen maken. Ik voel, dat dit aan deze zijde mogelijk is, doch ik kan haar niet vinden. Hoe heb ik haar gezocht! Waar zou zij zijn, kun je mij helpen? Op aarde heb ik reeds goedgemaakt en toch, ik voel, dat dit niet genoeg is. Hier is alles zo anders. Met aards bezit kun je geen geestelijke wetten oplossen. Wat de ziel beleeft en heeft beleefd en wordt aangedaan, is door aards bezit niet goed te maken. Dit moet men beleven? (...) Wat moet ik doen? Het wordt steeds heviger. Is zij, die ik dat aandeed, op aarde? In mij ligt wroeging en ik wil dat goedmaken. Ik voel, dat ik moet wachten, doch dat wachten op haar kan eeuwen duren en ik kan zo lang niet wachten. Het is mij niet mogelijk, aan iets anders kan ik niet meer denken. Ik zie haar steeds voor mij en zij vraagt en roept en smeekt om hulp, want ik ontnam haar het aardse geluk. (...) Waar is zij? Ik voel dat ik aan haar leven vastlig, ik kan niet verder en niet hoger, dit roept mij een halt toe.
Alcar maakt André duidelijk dat het overgaan van de geleerde naar de geestelijke wereld geen enkele verandering heeft gebracht in het gevoelsleven van de man. Hij moet nog steeds beginnen aan datgene wat hij in zijn aardse leven niet heeft afgemaakt, wat hij niet heeft rechtgezet. Alcar legt André uit hoe de situatie van Alcar en zijn vriend op aarde toen was: Het Ontstaan van het Heelal p. 23-24
Anderen deden wat hij deed, zo zei hij, doch hij liet haar alleen achter. Hij wist echter niet, dat het zijn kind was. Op aarde reeds besprak ik met hem al deze dingen, doch hij wilde er niets van weten, het was niet mogelijk, zei hij. En toch, ik wist het zeer zeker, dat het zijn kind was, dat geboren werd. Dit was het leed, dat hij haar aandeed. Door hem viel zij in deze ellendige toestand en werd haar leven op aarde een hel. Toen hoorde ik van haar einde. Later, veel later, voelde hij toch berouw en trachtte goed te maken. Het geld, dat hij bezat, gaf hij weg. In die toestand is hij ontwaakt en gaf hij zich geheel. Dan ging ook hij over. Dit alles behoort bij zijn leven. Ik zei je reeds, aan deze zijde zagen wij elkander terug en in niets was hij veranderd. Dat gevoel van berouw lag bewust in hem. Ook in dit leven kon hij zich daarvan niet vrijmaken. Hoe zou hij zich daarvan ook hebben kunnen bevrijden? Begrijp je, André, wat ik bedoel? Dat dit hem in zijn geestelijke ontwikkeling tegenhield en dat, wat op aarde geschiedde, moet oplossen en goedgemaakt worden?
Met dit voorbeeld maakt Alcar André duidelijk hoe de 'wet van oorzaak en gevolg' werkt. De geleerde had door zijn eigen handelen een oorzaak in werking gesteld, met als gevolg dat hij geestelijk niet verder kon zolang hij aan de vrouw niet had goedgemaakt. Die wroeging verduistert het licht van zijn sfeer, hij kan er zich niet van bevrijden. Door het belichten van deze wet van oorzaak en gevolg zal Alcar een belangrijk deel van de aardse ontwikkelingsweg van de menselijke ziel kunnen verklaren. Het Ontstaan van het Heelal p. 31
Eén oorzaak bracht hem in deze toestand. Neen, dat kunnen anderen niet voor hem goedmaken. Hijzelf zal dat leed moeten verzachten. Niets mag er in ons zijn wat daarmee te maken heeft, of aan deze zijde roept het ons een halt toe. Het houdt ons tegen, want eerst moet dat worden goedgemaakt.
Het Ontstaan van het Heelal p. 32