Uit het oerwoud vandaan

Wanneer Alcar André meeneemt naar een groep zielen waarvan het lichaam tot de vierde graad van stoffelijke ontwikkeling behoort, kan André het 'kannibalistisch gevoel' achter zich laten: 

Wij gaan nu naar de vierde graad, André, en daar ga ik verder'. Zwevend verliet Alcar deze plaats. André voelde dat hij enigszins in de bewoonde wereld kwam. Hij zag niet meer die oerwouden waarin de mensen verborgen leefden. Nu leefden zij meer in de natuur en hij zag dat dit een hogere toestand moest zijn, want in alles nam hij dit waar. Overal leefden mensen, en toch ging zijn leider verder en verder. Nu zei Alcar tot hem: 'Hier zullen wij blijven. Een andere en wel de vierde stoffelijke graad van het stoffelijk organisme hebben wij bereikt. Zie daar voor je, naar deze mensen.' 

Hoe is het mogelijk, dacht André, deze zijn weer anders, wie heeft daar op aarde nu erg in. 

'Weet men dit op aarde, Alcar?' 

'Ja, waarom zouden zij dit niet weten? Begrijpen doen zij dit echter niet. Deze mensen zijn anders dan zij die wij hebben ontmoet. Hun stoffelijke organisme is in een fijnere toestand gekomen. Zie dit kleed, André, hoe opmerkelijk is dit gewaad. Hoe anders van bouw en gestalte. Dit weet men in de geleerde wereld, maar zij weten niet hoe dat komt. Wie zou dat ook kunnen vaststellen? Zij kennen al die wetten niet, weten niet hoe alles vanaf het begin vastligt, hoe het is geschied en de schepping tot stand kwam. Dit is de vierde graad. Deze mensen zijn uiterlijk en innerlijk anders. Wat de drie andere graden doen, hebben zij eeuwen geleden reeds afgelegd. Wat men daar eet, verkiezen zij niet meer, hun stoffelijke organisme vraagt naar andere dingen, die om hen heen groeien. Iedere constitutie vraagt naar dát voedsel waar zij behoefte aan heeft. Zij voeden zich met vlees evenals die anderen, doch geen mensenvlees, dat eten zij niet meer. (...) 

In hen is al iets dat hun geloof uitmaakt. (...) 

Zij leven natuurlijk zoals zij innerlijk zijn en kennen ontzag voor hem die de sterkste is. Hun gevoel voor een oppermacht is aanwezig, doch zij zien deze in de natuur en het zijn de elementen die hen angstig maken. Dat gaat boven hun vermogen. Doch komen zij verder, dan zoeken zij juist daarin hun steun en aanbidden zij die natuurkrachten. Het voordierlijke en dierlijke bewustzijn is dan in een hogere gevoelsafstemming gekomen. Toch, al zijn zij de vierde stoffelijke graad binnengegaan, bezit het innerlijke wezen de dierlijke afstemming. (...) In die vier graden zijn wij tot de dierlijke bewustzijnstoestand overgegaan. 
Het Ontstaan van het Heelal p. 318-319 
Gaan wij verder, dan betreden wij de vierde graad en die leeft reeds buiten het oerwoud. Het organisme geeft de ziel dus meer gevoel en door dat gevoel durft de mens zich te verplaatsen en de Aarde als lichaam te verkennen. 
De Kosmologie van Jozef Rulof deel 4 p. 230 
Wanneer de ziel op haar levensweg het lichaam van de vierde stoffelijke graad mag ervaren, is dit een hele stap vooruit. Deze graad van lichamelijke ontwikkeling geeft de ziel hogere gevoelens, hier legt de ziel als mens haar kannibalistische gevoelens af. Het opeten van andere mensen wordt niet meer geduld in deze samenleving, het gevoelsleven van de ziel is volledig tot het 'dierlijke bewustzijn' overgegaan. 

De verhoogde werking van de vierde graad van stoffelijke ontwikkeling geeft het gevoelsleven van de ziel verruiming. Daarom gaan deze groep zielen reeds aan de rand van het oerwoud wonen. Zij vormen dan ook de overgang naar de volgende stoffelijke graden. Hier maakt de ziel als mens zich los van de leefomgeving waar zij in de eerste drie stoffelijke graden haar bestaan heeft opgebouwd. Het leven buiten het oerwoud brengt ook heel andere noodzakelijkheden met zich mee, en geeft weer heel andere gevoelens te beleven. Deze zielen staan aan de vooravond van de verkenning en verovering van de gehele aarde als levenstuin. Ze worden zich meer 'bewust' van andere streken als woonmogelijkheid. Die andere klimatologische omstandigheden zullen ook het lichaam van de volgende stoffelijke graden beďnvloeden.