Stads kannibalisme
Wanneer de ziel het lichaam van de zevende graad heeft bereikt, heeft haar innerlijk gevoelsleven alle tijd gehad om zich te verruimen en een hoger gevoelsleven op te bouwen door het beleven van de verhoogde werkingen van de latere stoffelijke graden. Toch hoeven we ons daar niet altijd veel van voor te stellen. Vele zielen zijn zelfs, terwijl ze in de zevende stoffelijke graad leven, amper uit het voordierlijke gevoelsleven geraakt, en hun handelingen wijzen nog steeds richting oerwoud. Aan alles ligt de wedergeboorte vast, zien wij het eerste ogenblik terug en herkennen wij het als het begin van de openbaring. Hier [in het oerwoud] leven mensen die van dit alles niets af weten, die door het blanke ras worden veracht en waarmee zij zich niet meer kunnen [willen] vergelijken. Hier leven mensen die van het volmaakte Kind Gods [Christus] niets weten, die de eerste stoffelijke graad bezitten en duizenden malen op aarde zullen terugkeren. Maar op aarde, in de steden leven toch ook deze wezens, al gaan zij in zijden gewaden en behangen zij zich met eretekenen. Wij zien daar echter doorheen en herkennen hen onmiddellijk en zien hun geestelijke armoede. Hun daden wijzen aan dat zij het zijn, naar hun gesprekken hebben wij geluisterd, aan hun doen en laten zagen wij wie zij waren. In dat schone lichaam leeft nog steeds het voordierlijke beest. In de hoogste kringen van de maatschappij leven deze wezens. (...)
Hier kennen zij echter nog geen God, daar wel, doch zij handelen er niet naar, zij beleven alleen en gaan met alles wat zij bezitten hun ongeluk tegemoet. In vele dingen zijn deze wezens [de eerste stoffelijke graden] verder dan zij [de latere stoffelijke graden], omdat zij [de eerste stoffelijke graden] kinderen zijn van de natuur en zich geven zoals zij zijn. Doch daar in die grote steden zien wij mensen die vermomd zijn, zoals geen voordierlijk wezen zich zou kunnen vermommen en die op deze wezens neerzien. (...)
Over duizenden jaren zijn zij [de zielen die nu in een lichaam van de eerste stoffelijke graden leven] zover als de mensen in steden en dorpen en hebben een bestaanstoestand op aarde bereikt. Eens nemen al deze wezens een voorname plaats in het stoffelijke leven in en zullen zij doktoren en geleerden van de aarde zijn. Eens zijn zij de begenadigden en zien wij hen terug, maar dan zijn zij als de meeste mensen die nu op aarde leven en nog steeds tot de levende doden behoren. Eens gaan zij in dat hoogste bezit van de aarde over en leven zich uit zoals zij daar nu nog doen en iedere dag geschiedt.
Straks, over duizenden jaren, gaan hun ogen open en ontwaken zij op deze stoffelijke wereld. Dan bezitten zij dat volmaakte en schone lichaam, maar zijn dan niet meer te herkennen. (...)
Voel je waarom ik hier ben, André, en begrijp je dan dat iedereen die op aarde leeft, hier moet zijn geweest, wil hij de plaats waar hij nu is, bereiken? Hier begint ons leven op aarde, dit is de eerste graad van stoffelijke en geestelijke afstemming. Hier zijn wij op de planeet aarde gekomen, en in het oerwoud begint onze lange aardse weg. Dit lichaam dat zij bezitten, is de eerste stoffelijke graad en de zevende moeten en zullen zij bereiken. Hier is het waar de kringloop der aarde begint en waar de eerste steen wordt gelegd om te beginnen ons een plaats in het stoffelijke en geestelijke leven te veroveren.
Hier kennen zij echter nog geen God, daar wel, doch zij handelen er niet naar, zij beleven alleen en gaan met alles wat zij bezitten hun ongeluk tegemoet. In vele dingen zijn deze wezens [de eerste stoffelijke graden] verder dan zij [de latere stoffelijke graden], omdat zij [de eerste stoffelijke graden] kinderen zijn van de natuur en zich geven zoals zij zijn. Doch daar in die grote steden zien wij mensen die vermomd zijn, zoals geen voordierlijk wezen zich zou kunnen vermommen en die op deze wezens neerzien. (...)
Over duizenden jaren zijn zij [de zielen die nu in een lichaam van de eerste stoffelijke graden leven] zover als de mensen in steden en dorpen en hebben een bestaanstoestand op aarde bereikt. Eens nemen al deze wezens een voorname plaats in het stoffelijke leven in en zullen zij doktoren en geleerden van de aarde zijn. Eens zijn zij de begenadigden en zien wij hen terug, maar dan zijn zij als de meeste mensen die nu op aarde leven en nog steeds tot de levende doden behoren. Eens gaan zij in dat hoogste bezit van de aarde over en leven zich uit zoals zij daar nu nog doen en iedere dag geschiedt.
Straks, over duizenden jaren, gaan hun ogen open en ontwaken zij op deze stoffelijke wereld. Dan bezitten zij dat volmaakte en schone lichaam, maar zijn dan niet meer te herkennen. (...)
Voel je waarom ik hier ben, André, en begrijp je dan dat iedereen die op aarde leeft, hier moet zijn geweest, wil hij de plaats waar hij nu is, bereiken? Hier begint ons leven op aarde, dit is de eerste graad van stoffelijke en geestelijke afstemming. Hier zijn wij op de planeet aarde gekomen, en in het oerwoud begint onze lange aardse weg. Dit lichaam dat zij bezitten, is de eerste stoffelijke graad en de zevende moeten en zullen zij bereiken. Hier is het waar de kringloop der aarde begint en waar de eerste steen wordt gelegd om te beginnen ons een plaats in het stoffelijke en geestelijke leven te veroveren.
Het Ontstaan van het Heelal p. 293-294
(Mevrouw in de zaal): 'Hoe komt het dan, als het blanke ras het hoogste ras is, dat er nog zoveel mensen zijn die beestig zijn (...)?'
[Meester Zelanus]: Mijn lieve kind, u hebt ook de geestelijke graad nog niet bereikt. (...)
Wat doet de maatschappij, wat doen miljoenen mensen? Ze zijn nog niet zover.
(Mevrouw in de zaal): 'Maar toch hebben ze het blanke lichaam.'
[Meester Zelanus]: Tja, maar (...) in dat blanke lichaam leeft de dierlijke graad voor voelen en denken (...) Ze knallen u zo neer, nietwaar? Ze hebben geen ontzag voor uw blanke ras, voor uw mens-zijn. Er leeft goed en kwaad in uw maatschappij op de aarde, en die is bewust.
[Meester Zelanus]: Mijn lieve kind, u hebt ook de geestelijke graad nog niet bereikt. (...)
Wat doet de maatschappij, wat doen miljoenen mensen? Ze zijn nog niet zover.
(Mevrouw in de zaal): 'Maar toch hebben ze het blanke lichaam.'
[Meester Zelanus]: Tja, maar (...) in dat blanke lichaam leeft de dierlijke graad voor voelen en denken (...) Ze knallen u zo neer, nietwaar? Ze hebben geen ontzag voor uw blanke ras, voor uw mens-zijn. Er leeft goed en kwaad in uw maatschappij op de aarde, en die is bewust.
Vraag en Antwoord deel 5 p. 57-58
(Meneer in de zaal): 'Het blanke ras is het hoogste ras.' (...) 'Maar als je eens een keertje bij mij op mijn werk komt, dan zou je bij je eigen denken dat je eigenlijk nog in het oerwoud aanwezig was.' (...)
[Meester Zelanus]: In het voelen?
(Meneer in de zaal): 'Ja.'
[Meester Zelanus]: Maar u moet het lichamelijk zien. Dít is het blanke ras. Maar uw blanke geest is er nog niet. (gelach)
[Meester Zelanus]: In het voelen?
(Meneer in de zaal): 'Ja.'
[Meester Zelanus]: Maar u moet het lichamelijk zien. Dít is het blanke ras. Maar uw blanke geest is er nog niet. (gelach)
Vraag en Antwoord deel 5 p. 45