Op weg naar de geestelijke liefde

Wanneer de ziel uiteindelijk de zevende stoffelijke graad heeft beleefd, komt zij vrij van de organische evolutie op de planeet aarde. Zij heeft alle lichamen beleefd, voor haar is er niet méér te beleven op aarde, de lichamen van de stoffelijke graden hebben alles gegeven wat de ziel voor de verruiming van haar innerlijk gevoelsleven kan dienen. 

Maar het gevoelsleven van de mens is ten achter gebleven. Terwijl het lichaam is uitgeëvolueerd, is het karakter nog alles behalve harmonieus. Dikwijls is de ziel na de lichamelijke evolutieweg nog maar net uit het voordierlijke bestaan de dierlijke gevoelsgraad binnengetreden, zelfs al leeft zij in een lichaam van de zevende stoffelijke graad. Dat blijkt uit het feit dat ook in de geciviliseerde westerse maatschappij moord en doodslag schering en inslag is. De gevoelsgraad die zich nog inlaat met moord en geweld om haar hartstochten te bevredigen, noemen de meesters de dierlijke gevoelsgraad. 

Na het beleven van de lichamen van de zeven stoffelijke graden begint de ziel te werken aan haar innerlijke ontwikkeling. Na de dierlijke gevoelsgraad komen de grofstoffelijke en de stoffelijke gevoelsgraden. Die beginnen als de mens het moorden achter zich laat, en zich instelt op de verfijning en verfraaiing van het stoffelijke leven. Het grofstoffelijke en stoffelijke gevoelsleven is afgestemd op het stoffelijke lichaam, op al de eigenschappen en geneugten van het stoffelijke leven op aarde. Door het beleven van honderden levens leren we alle aspecten van dat stoffelijke leven kennen. Nadat zij alle stoffelijke gevoelens heeft beleefd en in haar gevoelsleven heeft opgenomen, begint de ziel aan de geestelijke graad van haar gevoelsleven. In onderstaand citaat bedoelt meester Alcar met 'geestelijke graden' de innerlijke gevoelsgraden. Alcar geeft aan dat in de vierde lichamelijk-stoffelijke graad een ziel met intellectuele begaafdheid kan indalen, terwijl in de latere stoffelijke graden nog zielen afdalen die afgestemd zijn op het oerinstinct, op de eerste innerlijke gevoelsgraden (de verklaring hiervoor wordt verderop gegeven in 'Herkansing en begaafdheid'). 

In de vierde [lichamelijk-stoffelijke] graad zien wij het intellect, in de vijfde, zesde en zevende graad zien wij het oerinstinct afdalen. Er leven mensen op aarde in de zevende [stoffelijke] graad, die dierlijke wezens zijn. Hoe leven zij daar? Duizenden mensen brengen zij om. In de zesde graad zien wij dit eveneens en in de vijfde graad niet anders. Zo leven op aarde al die stoffelijke en geestelijke graden verspreid en leven zich uit. Houd dat nu eens uiteen. Volg en voel dit, en zeg dan of je de diepte van het zielenleven kent. 

Wie kent dus zichzelf? Wie weet waarvoor hij op aarde is? Wie ziet in de ander zijn slaaf? Wie herkent zijn vroegere meester in de bedelaar die hij ontmoet? Dat is niet te peilen, want het ligt in de diepte van de ziel verborgen en dat maakt het menselijke karakter uit. Het is daarom hier, dat de mens aan zijn karakter en persoonlijkheid gaat bouwen en zich in de geest gaat verrijken. Heb je mij in alles kunnen volgen, André?' 
Het Ontstaan van het Heelal p. 332 
Verbeeldt u zich maar niets, verbeeldt u zichniet dat u als blank mens het hoogstebeleeft... Ga naar Brits-Indië, u ziet daareen machtige persoonlijkheid, ook een normaal,natuurlijk, krachtig, sterk bewustorganisme, en daarin leeft de ziel. HetIndische leven, het oosterse bewustzijn is uver vóór. Want wanneer we spreken overeen yogi, een magiër, een fakir, een ingewijde,daar weet u niets van. En dan moet u eentempel betreden, dan kunt u een studie volgenvan twintig, dertig jaar, en dan weet unog niets. Alleen al om in te slapen, om eenbeetje te genezen (...) 
Vraag en Antwoord deel 5 p. 53 
En om zijn blanke toehoorders duidelijk te maken dat hun verachting van andere kleurtjes (in het jaar 1939) niet thuishoort in een toekomstige wereld van 'geestelijke liefde', voegt meester Alcar er nog aan toe: 

In het ene leven zwart of donker, zodat zij door eenieder die het blanke lichaam bezit worden veracht, in het daarop volgende leven een meester in de ene of andere kunst, of koning of keizer.' 
Het Ontstaan van het Heelal p. 332-333 
Aan alles komt een einde en de laagste graad gaat in de hoogste over en de hoogste daalt tot de laagste af om hen te helpen. Wie het ene of andere ras vervloekt, gaat zelf ten onder. 
Het Ontstaan van het Heelal p. 304 
De mens gaat nu op weg om zich een weinig geestelijke liefde eigen te maken. 

Er leven op aarde nog primitieve volkeren en dat zijn de eerste overgangen naar het volmaakte menselijke soort. Zij die de hoogste graad hebben bereikt, kunnen in de eerste graden niet meer afdalen. Wie eenmaal zijn hoogste afstemming heeft bereikt, gaat in een andere over. Toch keert de mens honderden malen in hetzelfde lichaam [in dezelfde stoffelijke graad] terug, doch dit terugkeren is dan voor het innerlijke leven. De geest zal zich die schatten eigen moeten maken, en dat is de afstemming op de geestelijke liefde. 
Het Ontstaan van het Heelal p. 174 
Geestelijke liefde is ruimer dan stoffelijke liefde. Christus sprak over deze geestelijke liefde met de woorden: Heb elkander lief! Hij legde deze geestelijke graad van liefde uit door aan te geven dat we ook onze vijanden moesten liefhebben. Een geestelijke liefde gaat immers uit naar het Leven, naar de ziel, en niet naar de persoonlijkheid van de mens. De meesters spreken over 'Heb lief alles wat leeft'. Dan zien we geen persoonlijkheden meer, maar alleen Leven. Dan kijken we niet meer naar rassen of huidskleuren, dan krijgen we universeel lief: 

Indien je de ruimte beleven kunt en het leven, dan stralen je ogen, dan leeft je menselijke hart, en je ziel straalt, zoals de sferen van licht dat bezitten. En er is slechts één ras op aarde en dat is de mens. 
De Kosmologie van Jozef Rulof deel 1 p. 255 
De geestelijke liefde is universeler dan de stoffelijke. Een geestelijk-ontwaakte moeder voelt liefde voor al het leven en niet alleen voor haar eigen kinderen. Het duidelijk maken hoe we deze geestelijke liefde kunnen ontwikkelen is de kern van alle boeken van Jozef Rulof. Vanaf het allereerste boek wordt hier voortdurend de nadruk op gelegd: 

In een bioscoop - het is werkelijk gebeurd - waren honderden kinderen bijeen. Plotseling brak er brand uit en de moeders die het hoorden, vlogen naar binnen om hun kleinen te redden. Velen liepen echter andere kleinen onder de voet om toch maar hun bezit te redden. Is dat universele liefde? Waren al die kleinen die zij onder de voet liepen niet Gods leven? Neen, alleen hun kind; naar een ander wezen werd niet omgezien. Gelukkig waren zij niet allen zo. Is deze liefde niet grofstoffelijk? Zij vertrapten levens om het ene leven dat hen toebehoorde te redden. Waarom deden zij dat? Omdat het niets dan eigenliefde was. Ik zou zo kunnen doorgaan en u door verschillende toestanden duidelijk maken dat wij mensen nog steeds niet liefhebben. Voor ieder mens zou ik mijn leven willen geven. Dit is geen verdienste, want het zou voor mij een grote genade zijn te mogen sterven, daar ik weet dat het leven aan gene zijde schoner is dan hier op aarde. Toch is het voor ons op aarde het grootste wat men zou kunnen geven en schenken. Maar ook op andere wijze kan men nuttig zijn, en ik bereik door voor de mensen iets te zijn en hen te helpen meer, dan dat ik voor één wezen mijn leven zou geven. In de kleinste daad ligt juist de grootste kracht. Daarom zeg ik u, dat ik gelukkig zal zijn wanneer ik u met de uwen weer gelukkig kan maken.' 
Een Blik in het Hiernamaals p. 490