Oorzaak en gevolg
Vóódat we aan die geestelijke liefde zijn toegekomen, hebben we echter eerst nog andere zaken recht te zetten: De planeet aarde heeft haar taak volbracht en het innerlijke leven neemt nu een aanvang. De mens die in de zevende stoffelijke graad leeft en sterft, keert opnieuw naar de aarde terug en begint aan zijn innerlijke leven, dat wil zeggen: goedmaken wat hij in al die levens misdeed. Dit is nu die ontzaglijke wet en is in ieder mens aanwezig. Het is de goddelijke afstemming in ons, die ons een halt toeroept, die ons dwingt dat te vereffenen, dat goed te maken, wat wij in al die graden hebben misdaan. Dat beleven en terugkeren naar de aarde is dus het karma, is oorzaak en gevolg van al die duizenden levens, waarin wij het ene leven na het andere hebben afgeslacht. Een ontzaglijke berg van zonden en fouten heeft de innerlijke mens te beleven. Hoe verschrikkelijk dit alles is, weet alleen God Die al Zijn kinderen kent. Geen mens, ga hem maar na in al die stoffelijke graden, heeft iets van zijn aardse leven gemaakt, omdat hij zichzelf niet kent en zich dus niets eigen heeft gemaakt dat bezit betekent in het leven na de aardse dood. Hij bezit niets wat geestelijk bezit betekent, kent geen reine liefde die wij bezitten, wil hij de sferen van licht kunnen binnentreden.
Ook al lijkt het zo dat de ziel in elk nieuw leven met 'een schone lei' kan beginnen, is dit niet helemaal waar. Doordat de ervaringen van de vorige levens tijdens het verblijf in de wereld van het onbewuste zijn weggezakt naar het onderbewustzijn van de ziel, is het dagelijks bewustzijn van de mens - het dagbewustzijn - gevrijwaard van de druk van die ervaringen. In ons dagbewustzijn kunnen we die vorige levens niet bewust herinneren, en dat is maar goed ook. Het Ontstaan van het Heelal p. 327
(...) is het onderbewustzijn een diepte waarin alles van vorige levens verborgen ligt en datgene wat opneemt alles wat tijdens het leven beleefd wordt en als ballast dient, of het zenuwstelsel zou al vroeg bezwijken. En hieruit putten uw wonderkinderen wanneer ze vroegtijdig bewust zijn van hun kunnen en aan kunst willen gaan doen. (...)Het kind put uit het verleden, voor u op aarde het onderbewustzijn. Daarin ligt alles, leeft het gevoel voor uw kunst en wetenschap. Daarin leven al uw gedachten om iets te kunnen scheppen.
Geestelijke Gaven p. 433-434
'Maar vertel mij, meester, hoe komt het dat het verleden in de ziel van de mens verborgen ligt en zij daarvan niets weten?'
'Omdat het stoffelijk lichaam het niet kan verwerken. Doch wat de mens moet beleven, dat zal hij bewust voelen.
Al de vorige levens, al het leed en de ellende die de ziel andere mensen heeft aangedaan is diep weggezonken in het machtige en ongekende onderbewustzijn. Gelukkig, want anders zouden we wellicht moedeloos worden en geen kracht vinden om 'het beste van onszelf te geven'. 'Omdat het stoffelijk lichaam het niet kan verwerken. Doch wat de mens moet beleven, dat zal hij bewust voelen.
De Kringloop der Ziel p. 198
Hoewel het weggezonken is, is toch juist dat verleden de stuwing die de ziel voortdrijft om goed te maken wat ze in al die levens misdeed. De disharmonie die ze zelf heeft veroorzaakt weegt als een zware last op haar innerlijke schouders, want hierdoor is de ziel niet in harmonie met het Leven, waartoe ze behoort. Zij zal van nu af aan licht moeten brengen waar ze duisternis rondstrooide, geluk moeten brengen waar ze leed veroorzaakte, lief moeten hebben wie ze gehaat en veracht heeft, en geestelijke verruiming moeten brengen aan wie ze vroeger dogma's heeft opgelegd.
Dit plaatst de ziel voor een ontzaglijke berg en brengt de ziel terug naar de miljoenen zielen waarmee ze in haar vorige levens te maken heeft gehad. En nu plaatst het de ziel juist in díé positie waar de menselijke persoonlijkheid het moeilijk mee heeft. Ging de ziel als mens in een vroeger leven tiranniek om met zijn onderdanen, dan zal hij nu de slaaf worden van die vroegere onderdanen en het leven als slaaf ten volle ondergaan, zonder dat hij als mens de mogelijkheid zal zien hieraan te ontsnappen. Vele levens lang zal de ziel als persoonlijkheid zich in die situatie geplaatst zien waar ze de pest aan heeft, maar waarvan ze zich op een mysterieuze wijze niet kan bevrijden. Dat mysterie is voor de mens ondoorgrondelijk, en hij ervaart alles als onrecht. Maar in de diepte van het zielenleven ligt het antwoord en de rechtvaardigheid verborgen. De ziel zelf heeft die andere mensen mismaakt, en is nu begonnen om recht te zetten wat ze heeft kromgeslagen. En dit zal haar levensbloed kosten, méér dan zweet en tranen. Het geeft haar persoonlijkheid leven na leven juist datgene te beleven, wat ze niet wil. Als persoonlijkheid kan ze dus de omstandigheden van haar volgende leven niet kiezen. Die levenssituatie wordt bepaald door haar eigen verleden. Zij kan als persoonlijkheid nog niet kiezen, want zij heeft de geestelijke graad van bewustzijn nog niet bereikt. En als ze die bereikt, dan aanvaardt ze alles, omdat ze dan verlangt om het beste van zichzelf te mogen geven. Dan gaat ze geen moeilijkheden meer uit de weg, dan maakt ze er het beste van.
Als wij in de wereld van het onbewuste leven en op een incarnatie wachten, dan ontvangen wij juist dát wat wij niet willen, omdat het juist datgene is wat wij nog niet bezitten. Degenen die zeggen 'ik wil niet terug' en dit alleen doen uit angst voor al die stoffelijke ellende, zijn geestelijk dood, zijn niet wakker en bewust, en zullen terugkeren en juist dát beleven wat zij niet willen ontvangen. Wie niet wil, ontvangt, en wie ontvangen wil, ontvangt niet, wanneer het tenminste met aardse dingen en toestanden te maken heeft en alleen is om te bezitten, om rijk te zijn. Christus wist voordat Hij naar de aarde afdaalde wat Hem te wachten stond, en wat voor Hem is, is ook voor ons. Wat Hij beleefde zullen wij eens beleven, ook wij zullen eens onze ganse persoonlijkheid bezitten.
Dan vragen wij niet geef ons dit of dat, want anders dalen wij niet af. Neen, André, hoe het ook is, wij dalen af en verlangen om alles, alles te mogen geven. Eerst dan zijn wij wakker en bewust. Die levende doden willen dat echter niet, die breken af wat anderen opbouwden, denken het recht te bezitten dit alles af te moeten breken, doch zij zijn in een diepe slaap, waaruit zij voorlopig niet zullen ontwaken. Ook zij hebben niets te geven en behoren tot de levende doden. Al deze mensen houden maar van één mens en soms van niemand. En dan alleen nog maar wanneer zij er iets voor ontvangen. Die levende doden zullen grote ogen opzetten, want zij zijn het die moeten terugkeren, omdat zij zo voelen. Schoon zou de aarde zijn als de mens kon willen, dát kon willen wat Gods schepping is. Maar wanneer zij hun overgang en geboren worden konden bepalen, zij deze machten en krachten in handen hadden, eerst dan werd het een chaos. De mens ontving alles, Gods eigen leven. Doch de mens wil alleen dát beleven wat hij mooi en heerlijk vindt, alleen dát leven op aarde waarin hij alles bezit. Maar goddank dat wij de natuur kennen, dat wij weten hoe de natuurwetten zijn en dat daaraan mensen niets kunnen veranderen, daarnaar moeten luisteren, want niet God zendt hen terug, doch zij worden door hun eigen afstemming, hun fouten en zonden, door al het verkeerde aangetrokken wat in het verleden aanwezig is. Dit moet worden goedgemaakt, eerst dan kunnen zij van de planeet aarde afscheid nemen en het hiernamaals binnentreden.
Waar zij ook zijn en wie zij nú zijn, straks gaat een ander hun plaatsen bezetten, dan vallen zij terug en gaan in een andere toestand over, terug naar de aarde om alles goed te maken. Alles regelt zich hier vanzelf, want het zijn stoffelijke en geestelijke wetten. Aan alles komt een einde en de laagste graad gaat in de hoogste over, en de hoogste daalt tot de laagste af om hen te helpen. Wie het ene of andere ras vervloekt, gaat zelf ten onder. Wie zich aan de liefde van anderen vergrijpt, gaat ook te gronde, omdat hij fouten begaat, en zal dit in een ander leven moeten goedmaken.
Deze 'wet van oorzaak en gevolg' geldt voor elke ziel. Deze wet garandeert de rechtvaardigheid van de levensomstandigheden voor de ziel, beschouwd in het licht van haar eeuwige evolutie. Dan vragen wij niet geef ons dit of dat, want anders dalen wij niet af. Neen, André, hoe het ook is, wij dalen af en verlangen om alles, alles te mogen geven. Eerst dan zijn wij wakker en bewust. Die levende doden willen dat echter niet, die breken af wat anderen opbouwden, denken het recht te bezitten dit alles af te moeten breken, doch zij zijn in een diepe slaap, waaruit zij voorlopig niet zullen ontwaken. Ook zij hebben niets te geven en behoren tot de levende doden. Al deze mensen houden maar van één mens en soms van niemand. En dan alleen nog maar wanneer zij er iets voor ontvangen. Die levende doden zullen grote ogen opzetten, want zij zijn het die moeten terugkeren, omdat zij zo voelen. Schoon zou de aarde zijn als de mens kon willen, dát kon willen wat Gods schepping is. Maar wanneer zij hun overgang en geboren worden konden bepalen, zij deze machten en krachten in handen hadden, eerst dan werd het een chaos. De mens ontving alles, Gods eigen leven. Doch de mens wil alleen dát beleven wat hij mooi en heerlijk vindt, alleen dát leven op aarde waarin hij alles bezit. Maar goddank dat wij de natuur kennen, dat wij weten hoe de natuurwetten zijn en dat daaraan mensen niets kunnen veranderen, daarnaar moeten luisteren, want niet God zendt hen terug, doch zij worden door hun eigen afstemming, hun fouten en zonden, door al het verkeerde aangetrokken wat in het verleden aanwezig is. Dit moet worden goedgemaakt, eerst dan kunnen zij van de planeet aarde afscheid nemen en het hiernamaals binnentreden.
Waar zij ook zijn en wie zij nú zijn, straks gaat een ander hun plaatsen bezetten, dan vallen zij terug en gaan in een andere toestand over, terug naar de aarde om alles goed te maken. Alles regelt zich hier vanzelf, want het zijn stoffelijke en geestelijke wetten. Aan alles komt een einde en de laagste graad gaat in de hoogste over, en de hoogste daalt tot de laagste af om hen te helpen. Wie het ene of andere ras vervloekt, gaat zelf ten onder. Wie zich aan de liefde van anderen vergrijpt, gaat ook te gronde, omdat hij fouten begaat, en zal dit in een ander leven moeten goedmaken.
Het Ontstaan van het Heelal p. 303-304
Onfeilbaar komen deze wetten tot je bewustzijn. En soms twee of drie levens tegelijk. Van al die levens zuigt de persoonlijkheid gevoel in zich op. Er zijn levens beleefd die niets te betekenen hebben. Miljoenen mensen beleven die eigenschappen. Miljoenen mensen beleven niets, omdat ze nog moeten ontwaken. Bruisende belevenissen dringen tot het dagbewustzijn door. Die willen beleefd worden. Die zijn ook niet tegen te houden, de ziel als de persoonlijkheid maakt ze zelf wakker. Hierdoor begint het leven. Als kind ga je zien wat er eigenlijk in de ziel leeft. Het karakter heeft te luisteren, de persoonlijkheid zit eraan vast. Kunst, wijsheid, mystiek, hartstochten en geweld, vader- en moederschap, al die duizenden wetten treden thans op de voorgrond. En dat is de persoonlijkheid, dat leeft in het organisme en staat voor goed en kwaad, voor oorzaak en gevolg, voor karmische wetten. Zeg nu nog eens dat je niets met andere levens te maken hebt. Ik zeg je, er is niet één mens in deze maatschappij - niet in het oerwoud, Karel, want je kunt die wetten niet beleven, dat zijn vanzelf andere levensgraden als organismen gezien - of je hebt met die levens uit te staan. Ben je los van die zielen, heb je oorzaak en gevolg goedgemaakt, dan gaan die levens uit je aura weg. Dat werkt onfeilbaar! Je eigen levensgraad is het ergst bezield. Je kunt nu vier levensgraden terug het menselijk organisme, de baringswetten beleven. Dat wil zeggen, dat je kinderen kunt verwekken, kunt aantrekken door die lagere graden. Je kunt bij een Eskimo kinderen verwekken, maar dat is je eigen levensgraad niet. Nu sta je voor een natuurlijke wet, je stemt je reeds af op een andere levensgraad en bent in disharmonie met je eigen levensgraad. Of dacht je dat dit voor de kosmische wetten geen gevolgen had? Je kunt tientallen levens verder gaan, eens zal je aan dat leven goed moeten maken, de natuurlijke wet voor het vader- en moederschap roept je terug. Zo verslingert de ziel zichzelf en brengt zij splitsing, niet alleen voor het lichamelijke, ook voor haar persoonlijkheid. De kosmische wet vraagt je de graad van leven te aanvaarden die tot je eigen leven behoort. (...) Iedere levensgraad zoekt net zolang totdat het leven gevonden wordt dat tot het andere behoort. Nu leeft je ziel in andere streken van de Aarde. Je zult haar daar halen of zij komt tot je leven terug. Je voelt wel, duizenden mogelijkheden komen er op je af en je kent er niet één.
Toch gaat de natuur verder. De zeven lichamelijke levensgraden voor het organisme eisen van ons de wetten te beleven en te aanvaarden. Je zit levens achtereen aan mensen vast en komt eerst dan los wanneer je goed hebt gemaakt. Nu is het waar, onze eigen levensgraad heeft zich over de Aarde verspreid. Was dat niet het geval, dan zou je zien dat géén Hollander een kind van het ander volk zou kunnen huwen, omdat de ziel het doodeenvoudig zelf niet wil. Dit gezoek van mensen onder andere volken om de waarachtige liefde te vinden, drijft de ziel reeds tot het andere volk. Maar zijn die karmische wetten beleefd, dan houden die op te bestaan en komt het innerlijk leven niet meer vrij van de eigen levensgraad. Je kunt er dan niet meer aan ontkomen, je komt niet weg, iets in je zegt: tot hier en niet verder! (...)
Dit zijn dus wetten. Niet alleen voor de eigen levensgraad, maar duizenden andere wetten beslissen thans over je leven. En dat is een mens! Dat is een vrouw en is een man. (...)
Waarom ben ik tot je teruggekeerd, Karel? Omdat ik je in een van mijn levens iets ontnomen heb. En dat heeft juist met het kind-zijn uit te staan. Ik maak thans goed! Ik breng je naar het bewustzijn terug dat ik je vroeger ontnomen heb. Het gevaarlijkste wat wij mensen kunnen doen is een medemens het geloof ontnemen. Mensen van het hoogste afhouden is de allergrootste misdaad die wij kunnen begaan. Indien dit de ontwikkeling voor de ziel tegenhoudt, val je erdoor! Dat zijn nu kosmische wetten. Die zijn veel en veel bewuster, dan enig ander kwaad. Je hebt thans direct de Goddelijke evolutie in handen. Je staat thans tegenover de Goddelijke wet. Wie mij thans afmaakt en hierdoor mensen geestelijk bezoedelt, dus dooddrukt, van mijn leer en de Goddelijke wetten houdt, bezoedeling schept, is nog niet jarig. Niet alleen de lichamelijke fouten zal je moeten oplossen, je staat thans voor een mens die je alles zou willen geven, maar wellicht niet wordt aanvaard. Waarom niet? Waarom wil die ziel niet aanvaarden? Waarom krijg je dit leven niet tot andere gedachten? Omdat jij zólf dat leven hebt verwoest! Zie nu maar dat je het weer wakker krijgt. En je kunt in het leven na de dood geen stap verzetten als je die kinderen van God niet geopend hebt voor Zijn wetten. Duizenden mogelijkheden houden je gevangen. Je komt er niet van los, je hebt ze te beleven en weer tot de Goddelijke harmonische wetten, die voor de rechtvaardigheid en Goddelijke evolutie, terug te voeren, maar waar je leven ná leven mee bezig bent!
Breek mij gerust af, straks sta je voor je eigen afbraak. Wee je leven, als ik de waarheid breng. Verkoop ik kletspraat, dan is alles anders en heb je het recht om het af te maken. Maar ben ik bezig de Goddelijke harmonische wetten tot je leven en dat van anderen te brengen, Karel, dan moet je mij maar bezoedelen, levens heb je ervoor nodig om dat gif uit die zielen te verwijderen. Weet je nu waarom zoveel mensen zich uitsloven om het andere leven van God tot ontwaking te brengen? (...)
Spreek eens verkeerd over een wezen, een mens, maak dat leven eens af, vroeg of laat sta je voor je eigen ellende. En als het je vrouw is? Dacht je dat al die mislukte huwelijken geen betekenis hadden? Dacht je dat die mensen zo uit eigen verlangen en door eigen wil tot elkaar waren gekomen? Je kunt even tekeergaan, je schept er nieuw karma door, maar zij of hij die tot je leven behoort staat vroeg of laat voor je. Nietwaar? Waarom komt de ziel niet tot handelen? Wat weigert er in je persoonlijkheid? Waarom kom je niet tot een besluit? Waarom is het juist die ander? Het is juist de verkeerde. Ja, dat zou je wel willen, Karel. Dat wat bewust in je is handelt nu! Dit wat het dagbewustzijn vertegenwoordigen moet, beslist thans over je leven. En nu begrijp je elkaar niet. Dat is natuurlijk, je krijgt thans je taak te zien. Je kunt nu beginnen om die ziel weer tot de reine klaarte van Frederik terug te voeren.
Toch gaat de natuur verder. De zeven lichamelijke levensgraden voor het organisme eisen van ons de wetten te beleven en te aanvaarden. Je zit levens achtereen aan mensen vast en komt eerst dan los wanneer je goed hebt gemaakt. Nu is het waar, onze eigen levensgraad heeft zich over de Aarde verspreid. Was dat niet het geval, dan zou je zien dat géén Hollander een kind van het ander volk zou kunnen huwen, omdat de ziel het doodeenvoudig zelf niet wil. Dit gezoek van mensen onder andere volken om de waarachtige liefde te vinden, drijft de ziel reeds tot het andere volk. Maar zijn die karmische wetten beleefd, dan houden die op te bestaan en komt het innerlijk leven niet meer vrij van de eigen levensgraad. Je kunt er dan niet meer aan ontkomen, je komt niet weg, iets in je zegt: tot hier en niet verder! (...)
Dit zijn dus wetten. Niet alleen voor de eigen levensgraad, maar duizenden andere wetten beslissen thans over je leven. En dat is een mens! Dat is een vrouw en is een man. (...)
Waarom ben ik tot je teruggekeerd, Karel? Omdat ik je in een van mijn levens iets ontnomen heb. En dat heeft juist met het kind-zijn uit te staan. Ik maak thans goed! Ik breng je naar het bewustzijn terug dat ik je vroeger ontnomen heb. Het gevaarlijkste wat wij mensen kunnen doen is een medemens het geloof ontnemen. Mensen van het hoogste afhouden is de allergrootste misdaad die wij kunnen begaan. Indien dit de ontwikkeling voor de ziel tegenhoudt, val je erdoor! Dat zijn nu kosmische wetten. Die zijn veel en veel bewuster, dan enig ander kwaad. Je hebt thans direct de Goddelijke evolutie in handen. Je staat thans tegenover de Goddelijke wet. Wie mij thans afmaakt en hierdoor mensen geestelijk bezoedelt, dus dooddrukt, van mijn leer en de Goddelijke wetten houdt, bezoedeling schept, is nog niet jarig. Niet alleen de lichamelijke fouten zal je moeten oplossen, je staat thans voor een mens die je alles zou willen geven, maar wellicht niet wordt aanvaard. Waarom niet? Waarom wil die ziel niet aanvaarden? Waarom krijg je dit leven niet tot andere gedachten? Omdat jij zólf dat leven hebt verwoest! Zie nu maar dat je het weer wakker krijgt. En je kunt in het leven na de dood geen stap verzetten als je die kinderen van God niet geopend hebt voor Zijn wetten. Duizenden mogelijkheden houden je gevangen. Je komt er niet van los, je hebt ze te beleven en weer tot de Goddelijke harmonische wetten, die voor de rechtvaardigheid en Goddelijke evolutie, terug te voeren, maar waar je leven ná leven mee bezig bent!
Breek mij gerust af, straks sta je voor je eigen afbraak. Wee je leven, als ik de waarheid breng. Verkoop ik kletspraat, dan is alles anders en heb je het recht om het af te maken. Maar ben ik bezig de Goddelijke harmonische wetten tot je leven en dat van anderen te brengen, Karel, dan moet je mij maar bezoedelen, levens heb je ervoor nodig om dat gif uit die zielen te verwijderen. Weet je nu waarom zoveel mensen zich uitsloven om het andere leven van God tot ontwaking te brengen? (...)
Spreek eens verkeerd over een wezen, een mens, maak dat leven eens af, vroeg of laat sta je voor je eigen ellende. En als het je vrouw is? Dacht je dat al die mislukte huwelijken geen betekenis hadden? Dacht je dat die mensen zo uit eigen verlangen en door eigen wil tot elkaar waren gekomen? Je kunt even tekeergaan, je schept er nieuw karma door, maar zij of hij die tot je leven behoort staat vroeg of laat voor je. Nietwaar? Waarom komt de ziel niet tot handelen? Wat weigert er in je persoonlijkheid? Waarom kom je niet tot een besluit? Waarom is het juist die ander? Het is juist de verkeerde. Ja, dat zou je wel willen, Karel. Dat wat bewust in je is handelt nu! Dit wat het dagbewustzijn vertegenwoordigen moet, beslist thans over je leven. En nu begrijp je elkaar niet. Dat is natuurlijk, je krijgt thans je taak te zien. Je kunt nu beginnen om die ziel weer tot de reine klaarte van Frederik terug te voeren.
Maskers en Mensen p. 918-922