Onze levens op de eerste planeet

De eerste zielen beginnen nu aan hun tweede leven. De levensduur is nu al wat langer, en ze kunnen dit nieuwe cellichaampje al wat sterker uitbouwen, omdat ze nu al kunnen voortbouwen op de ervaring van hun vorig leven. 

Wij beleven nu en gij hebt dat gezien, dat élk volgend stadium méér gevoel, meer verruiming, meer stoffelijk en méér geestelijk bewustzijn aan het embryonale leven schenkt, waardoor het leven (...) ontwaakt. 
De Kosmologie van Jozef Rulof deel 2 p. 182 
De zielen evolueren als paar, daarom sprekende meesters over tweelingzielen. Op deze planeet zijn ze in elk leven samen met hun tweelingziel. Tezamen beleven ze het stoffelijke leven, tezamen gaan ze daarna naar de wereld van het onbewuste, en daarna reïncarneren ze op hetzelfde moment in de onmiddellijke omgeving van elkaar. Want ze horen voor eeuwig tezamen. 

Hier baart de cel voor zichzelf en het andere leven, dat met haar deze éénheid geniet en vindt die Goddelijke evolutie én splitsing plaats. Dat zijn nu tweelingzielen, levens van één graad en bewustzijn, zij gaan verder, zij blijven in harmonie, totdat zij menselijk beginnen te denken en aan die afbraak beginnen, waardoor ál die duizenden disharmonische toestanden zijn ontstaan, waar thans, het kind van de aarde voor staat en te beleven heeft gekregen. 
De Kosmologie van Jozef Rulof deel 2 p. 184 
Leven na leven bouwt de ziel nu aan de groei van haar lichaam. Elke incarnatie gaat ze een stapje verder. De ziel heeft een ingeschapen blauwdruk van wat haar lichaam ooit zal worden. We kennen die blauwdruk, dat is het menselijk lichaam zoals we dat nu op de aarde bewonen. Vanaf haar eerste leven als cel is de ziel bezig die menselijke gestalte op te bouwen. Zij exploreert geen verschillende evolutierichtingen zoals we in het dierenrijk zullen zien. Zij heeft slechts één doel voor ogen: de menselijke gestalte creëren. Dit doet zij niet bewust, het is een onbewuste stuwing, een verstoffelijking van wat in haar Albronnelijke stilte aanwezig is. Alle eigenschappen die in de Albron aanwezig zijn zullen zich veruiterlijken door het creëren van organen, lichaamsstelsels, lichamen. Door de stuwing van de ziel ontwikkelt het lichaam orgaan na orgaan, weefsel na weefsel, zintuig na zintuig. De onbewuste stuwing van de ziel bouwt het lichaam stap voor stap op, graad na graad. Begonnen als enkelvoudige cel ontwikkelt het lichaam zich in het water van de eerstemoederplaneet tot een visachtig stadium. 

Het lichaam komt tot deze stoffelijke vorm omdat de ziel zich wil voortbewegen, zich wil verruimen, haar wereld wil leren kennen. Daarom ontwikkelt het lichaam een staart en vinnen, middelen om zich voort te bewegen, en de zintuigen als middelen om haar wereld te leren kennen. 

Ook op aarde zal de ziel biljoenen jaren later dat visachtig stadium moeten opbouwen in haar evolutie naar lichamelijke of stoffelijke vervolmaking. De meesters geven aan hoe we die fase in onze stoffelijke evolutie in ons huidige lichaam nog steeds kunnen terugvinden: 

U komt vanuit het water naar het landelijke, stoffelijke gevoelsleven. Wij kwamen uit de wateren en uw schildkliertjes hier achter de oren - uw kieuwen kan de dokter, kan de wetenschapper u aanwijzen - hier hebt u nog de verschijnselen van de kieuwen.Waarlijk, wij zijn in de wateren geboren. U bent nog altijd een zoogdier. Hard? Neen? Waar wilt u van leven als u geboren wordt? De moeder is nog altijd een menselijk zoogdier. Zegt dat de wetenschap niet? 
Vraag en Antwoord deel 5 p. 35 
De hoogste toestand die de ziel op de eerste planeet kon bereiken was het waterachtig bewustzijn van een organisme dat doet denken aan de aardse zeeleeuw. 

Uiteraard hebben we hier nog geen menselijk bewustzijn. We beleven hier alleen dat wat ons lichaam ons te ervaren geeft: het voortbewegen, eten, slapen en paren. Toch hebben we al wat gevoel opgebouwd, bijvoorbeeld door het eten. De noodzaak om te eten komt uit ons organisme dat energie verbruikt en dus voedsel nodig heeft. Wanneer het eten niet voorradig is, krijgen we naast de ervaring van honger ook de ervaring dat we kunnen sterven van honger, sterven bij gebrek aan eten. Hierdoor krijgen we angst om geen voedsel te vinden. Angst als een van onze eerste gevoelens dus. Hierdoor voelen we het verschil tussen de harmonie waarin we normaal leven, een harmonisch rustig gevoel, en het afwezig zijn van die harmonie wanneer we honger krijgen, een gevoel van onrust en angst. Hierdoor komt er enige beweging en werking in ons gevoelsleven. Dit verschil tussen harmonie en disharmonie zal één van de belangrijkste bouwstenen worden van ons bewustzijn. Tot op aarde zal het wegvallen van een harmonische toestand, dus de aanwezigheid van ellende en lijden, ons motiveren om die ellende te vermijden en de rust en het harmonische evenwicht te herstellen. 

Op de eerste planeet is hier nog niet veel van te merken. De ziel blijft in harmonie met het lichaam, en met haar soortgenoten. Er is meestal voldoende voedsel aanwezig, dat drijft gewoon voorbij in het water. Alles wat we hier hebben te doen is te bewegen, eten, slapen en paren. Rustige levens zonder 'tijdsdruk', slechts rustig voortbewegen in het water... 

We blijven tevens in harmonie met onze tweelingziel, die elk leven aan onze zijde vertoeft. Met haar groeien we leven na leven in kracht en omvang. Elk nieuw leven geeft de ziel meer ervaringen, die tot instinctieve gevoelens groeien. Het innerlijke leven houdt gelijke tred met de groeiende complexiteit van de organismen. 

De ziel als Albronnelijke kracht is de stuwing om het stoffelijke lichaam op te voeren en te laten evolueren. Dit is de onbewuste stuwing door de ziel. Door het beleven van die stoffelijke lichamen doet de ziel als gevoelsleven ervaringen op, zoals honger en angst. Die ervaringen zullen later het instinct opbouwen, en biljoenen jaren later de persoonlijkheid van de mens, wat dan de graad van bewustzijn van de ziel zal worden. Door het beleven van biljoenen levens zal de ziel evolueren van onbewuste stuwing naar een bewuste persoonlijkheid. 

Na miljoenen levens op deze eerste planeet kan het leven in het water ons niet langer boeien. We hebben immers alles beleefd wat er voor de ziel te beleven valt in deze wateren. We hebben het waterlijk bewustzijn volkomen uitgebouwd en doorleefd. Om ons een hoger bewustzijn te kunnen eigenmaken, moeten we nu het land op. Op het vasteland zullen we ons immers kunnen oprichten, en een landelijk bewustzijn kunnen opbouwen, dat zich boven de waterspiegel verheft en veel rijker zal worden aan afwisseling en uitdagingen. 

Maar op deze planeet is er weinig 'land' te beleven. De zon geeft hier te weinig licht en warmte om het land en het stoffelijke lichaam van de ziel te verdichten, te verharden. Al het leven blijft hier waterachtig. En deze eerste planeet moet zo blijven, omdat er diep in haar hart nog steeds zielen geboren worden als enkelvoudige cellen die aan hun eerste levens beginnen. 

De drang van de ziel om te evolueren is echter zo groot dat ze zich op de oevers van dit moeras neerlegt. Ze wil niet terug naar het water, dat leven is beleefd. Het organisme stikt omdat het nog geen ademhalingsorganen heeft ontwikkeld om buiten het water te leven. Maar toch gaat dit wezen niet terug naar het water, de ziel wil immers verder en legt haar wil op aan het lichaam. Tenslotte laat de ziel ook dit lichaam los en zweeft haar toekomst tegemoet. 

De ziel zal nu deze planeet verlaten en een andere planeet opzoeken die haar een vastere lichaamsvorm kan schenken. Een planeet die meer warmte van een zon ontvangt, zodat de materie meer verdicht kan worden. 

Daarom verlaat de ziel de eerste planeet. De meesters spreken over de eerste kosmische levensgraad. Dit is de eerste graad van leven in de kosmos voor al het leven. 

Op het moment dat de eerste zielen de eerste kosmische levensgraad verlaten, worden nog steeds andere zielen geboren in het hart van de eerste planeet. Die nieuwe zielen beginnen dan pas aan hun lange evolutieweg. Niet alle zielen zijn dus tezamen geboren. De afsplitsingen vonden plaats in 'golven'. Doordat de ene ziel eerder geboren is dan de andere, zal de eerste ziel eerder haar levens beleefd hebben op deze planeet, en dus eerder een 'bewustzijn' hebben opgebouwd dan haar soortgenoten. Wat bij de afsplitsing slechts een verschil uitmaakte van luttele seconden, was op het einde van de evolutie op deze planeet al gegroeid tot vele levens. Dit verschil in ontwikkeling en bewustzijn kon door de latere zielen nooit meer ingehaald worden. Tegen de tijd dat deze zielen de aarde bereiken, is dit verschil in bewustzijn gegroeid tot biljoenen jaren. Daarom is de ene menselijke ziel op aarde al verder geëvolueerd dan de andere, een verschil dat niet bij te benen is in een kleine periode van honderd jaar, zelfs niet in een periode van duizenden jaren. Al de zielen die nu op aarde vertoeven, wij dus, zijn veel later geboren dan de eerste zielen die de eerste planeet verlieten. De eerste zielen hebben in het huidige tijdperk de aarde al lang achter zich gelaten en zijn reeds op andere planeten overgegaan. De eerste zielen zijn ons dus biljoenen eeuwen vóór. Anderzijds zijn er nog zielen geboren die ons biljoenen tijdperken achter zijn, omdat ze veel later op de eerste planeet geboren zijn. Wij zitten dus vanaf onze geboorte als ziel in de 'middengroep'. 

'Ja dat geschiedde, doch hier zijn miljoenen overgangen, dus graden van ontwikkeling. Het eerste, tiende, honderdste en duizendste stadium was reeds opgelost en in het embryonale leven overgegaan. Deze wezens waren dus het eerst in ontwikkeling. Voel je hierin een onrechtvaardigheid? Dan zal ik je dit duidelijk maken en aantonen, dat dit niet mogelijk is. Want oud en jong is hier van geen betekenis, doch wel een eerste en laatste graad van het eerste embryo. Dit is en komt door de beïnvloeding van buitenaf, die de planeet onderging, wat het verdichtingsproces is en met het zonnestelsel verband houdt. Het leven nu dat in het diepste innerlijk van deze planeet leefde en geboren zou worden, ontwaakte in een later stadium en wel vele eeuwen later. Tussen het eerste leven en het laatste, liggen dus miljoenen jaren. Toen het eerste, het laatste en hoogste stadium had bereikt, begon daar in die diepte eenzelfde leven te ontwaken, om in het embryonale leven over te gaan. Dit kun je gerust aanvaarden, want voor God is er geen tijd. Eens zou dit geschieden en het geschiedde, want niets bleef achter. Daarom zijn er dus wezens, die reeds de hoogste sferen aan onze zijde hebben bereikt. Hierdoor zijn er mensen op aarde die het goede zoeken en anderen, die tot de duivelen van de hel behoren. Er zijn er reeds, ook dat weet je nu, die de Goddelijke sferen hebben bereikt en in het Al zijn binnen getreden. Biljoenen eeuwen waren zij reeds op weg, toen loste het laatste embryo op en dit betekende het einde van deze planeet. Nog duurde het duizenden jaren voordat het laatste wezen de hoogste graad van stoffelijk organisme had bereikt, om op de tweede kosmische graad over te gaan, maar allen komen zover en zijn op weg en aan geen tijd gebonden. 
Het Ontstaan van het Heelal p. 85-86