Onze eerste reďncarnatie

Doordat de eerste cellen beide een deel van zichzelf afgestaan hebben, is de kindercel samengesteld uit twee delen. Hierdoor kan deze kindercel zich na een groeiproces splitsen in twee cellen. 

De twee cellen die op deze wijze ontstaan zijn groeien naar hun volwassen stadium en voelen zich aangetrokken tot elkaar. Ook zij bestaan uit ziel en lichaam, want in die eenheid zijn zij afgesplitst van hun ouders. Ook zij planten zich voort, net zoals hun ouders gedaan hebben. Deze ouders als zielen bevinden zich trouwens nog in de buurt, want deze ouders voelen zich verbonden met het leven en de werking van hun twee kinderen. Zij stuwen deze kinderen tot werking en inspireren hen om te paren. 

De zielen van de ouders willen immers een nieuw leven beleven om zichzelf verder te brengen. Zij hebben een nieuw lichaam nodig om nieuwe ervaringen op te doen. En dat lichaam wordt hun geboden door deze twee cellen. Deze twee cellen brengen door het paringsproces twee nieuwe kindercellen voort, waarin de 'ouderzielen' kunnen indalen. Hierdoor krijgen de eerste zielen de mogelijkheid om te reďncarneren. Hier vindt dus de eerste reďncarnatie plaats, de eerste wedergeboorte van de ziel. 

Meester Alcar benadrukt het feit dat de ziel zelf de mogelijkheid van reďncarnatie geschapen heeft door het eerste ouderschap. Doordat de eerste zielen iets van zichzelf afstonden en hierdoor hun kinderen geboren werden, kunnen nu die kinderen op hun beurt iets van hunzelf ter beschikking stellen aan de ouderzielen om in te reďncarneren. Zo hebben de ouderzielen zelf voor hun verdergaan gezorgd door hun ouderschap, zodat ze niet vast kwamen te zitten in de wereld van het onbewuste zonder nieuw cellichaampje om zich in te incarneren. Hadden de eerste zielen immers geen kinderen voortgebracht, dan was er geen nieuw lichaampje voor hun beschikbaar gekomen. 

Dát is het, mijn broeders, dat is het essentiële gebeuren voor de ziel. Immers, wij baarden en schiepen tezamen nieuw leven. Díé wet nu, dus dit éénzijn, schenkt aan ons de mogelijkheid om straks ín het stoffelijke leven ons eigen bestaan voort te zetten. Het Goddelijke 'AL' wíl thans, dat wij deze wetten duidelijk ontleden, opdat de geleerde van de aarde zich niet wéér achter zijn vragen kan verschuilen, wij moeten voor de 'Universiteit van Christus' duidelijk ontleden, dát de mens zélf zijn reďncarnatie, zijn verder gaan geschapen heeft. Wij moeten vastleggen dát er reďncarnatie móét zijn, of het leven, dat hebben wij reeds gevolgd, stond reeds hierop een dood punt. Het leven nu, dat door ons éénzijn, óns eigen splitsen geboren werd, zal ons moeten aantrekken, want wij behoren tot dat leven. 
De Kosmologie van Jozef Rulof deel 2 p. 214 
Doordat de ervaringen van de eerste zielen uit hun eerste leven tijdens hun verblijf in de wereld van het onbewuste teruggezonken zijn naar hun onderbewustzijn en de zielen tot hun Albronnelijke rust zijn teruggekeerd, kunnen ze nu indalen in de nieuwe cel en hiermee een perfecte eenheid beleven. Waren ze echter ingedaald met het volwassen bewustzijn dat ze op het einde van hun eerste leven hadden - dus met de ervaringen van hun eerste leven nog bewust in zich - dan zouden ze nu reeds het nieuwe cellichaampje dooddrukken, omdat ze dan teveel bezielend gevoel bij zich zouden hebben voor het eenworden met het eerste stadium van het nieuwe cellichaampje waar ze in reďncarneren. Dat eerste stadium van het nieuwe cellichaampje is immers heel broos en teer, en kan niet méér bezieling verdragen dan wat het zelf aan kracht en werking heeft. De kracht en werking van ziel en cellichaampje moet bij het eenworden van ziel en lichaam perfect op elkaar afgestemd zijn. 

En begint in u, in de moeder, voor deze tijd, voor het huidige stadium ook niet de ziel weer als embryonaal stadium in de moeder? Ziet u, aan die wetten, die verklaringen is er in het universum niets veranderd (...) 
Lezingen deel 2 p. 23-24 
Dit is de reden waarom de menselijke ziel ook op aarde bij elke incarnatie weer opnieuw als embryo begint, ook al heeft zij al vele volwassen levens achter zich. Om te kunnen indalen in het embryo in de moederschoot, moet de ziel eerst terugkeren tot het Albronnelijke stadium van stilte en rust, zodat zij bij de eenwording met de bevruchte eicel op het moment van de conceptie de werking en de groei van dit cellichaampje niet zal storen. Wanneer de ziel op dat moment de volwassen ervaringen van het vorige leven nog zou herinneren, zouden deze gevoelens te veel stuwing en werking betekenen voor de tere cel, waardoor de cel uit elkaar gerukt zou worden. 

Op de eerste planeet hebben nu ook de nieuwe ouders hun leven beleefd, en ze verlaten als ziel hun eerste cellichaampje om zich voor te bereiden op hun nieuwe levens. De cyclus van reďncarnaties vangt nu aan voor alle zielen en zal hun na biljoenen tijdperken op aarde brengen om ook daar hun evolutie door het beleven van volgende levens voort te zetten.