Kralen en handel
Vervolgens neemt Alcar André mee naar een groep zielen waarvan het lichaam tot de derde stoffelijke graad behoort. Ook hier beleefde de ziel als persoonlijkheid door de verhoogde werking van het lichaam van de derde stoffelijke graad zodanig andere gevoelens, dat zij het niet meer uithield bij de zielen waarvan het lichaam tot de tweede stoffelijke graad behoort. Daarom gingen de zielen waarvan het lichaam tot de derde stoffelijke graad behoort in andere groepen leven, waar ze onder elkaar een andere levenswijze konden opbouwen. [Alcar:] Wij gaan nu naar de derde graad of overgang, en die wezens zijn dierlijke wezens, want ook zij slachten en moorden zoveel zij willen. In verschillende groepen leven dus deze mensen tezamen. Maar al die groepen hebben wij van de tweede planeet af kunnen volgen en ook dit natuurproces vinden wij dus op aarde terug. In deze donkere wouden leven dus drie graden. (...) Alcar zweefde over de aarde en André nam waar en beleefde al deze wonderlijke dingen. Hoe diep was het leven, wat wist men daarvan op aarde? Wie zou dit kunnen peilen? (...)André zag andere mensen. Ook zij waren wild en woest, en toch, die stoffelijke lichamen waren anders. Zij waren niet zo grof en hadden niet dat voordierlijke. (...) Zij waren geheel met alle mogelijke versierselen behangen. Hoe hadden zij zich mooi gemaakt! Hij zag niets dan kralen en nog eens kralen. (...) In hen zien wij meer leven, meer gevoel en intuïtie. Zij bezitten reeds enig gevoel, dat voor ons het geloof is. Toch is hier nog geen godsdienst aanwezig, nog zijn zij zich daarvan niet bewust. Het duurt nog duizenden jaren voordat zij zover zijn. Toch, je ziet en voelt het, is er meer gevoel, ze zijn levendiger dan die anderen die wij hebben ontmoet. De angst voor andere wezens bezitten zij niet meer, zij hebben zelfbeheersing geleerd. Die anderen waren schuchter en angstig, dezen zijn brutaal en gereed om iedereen aan te vallen die in hun bereik komt. Deze graad leeft, als de voorgaande, in vele groepen verspreid, doch de kern van deze afstemming leeft in een hoofdgroep bijeen, al weten zijzelf daarvan niets af en kunnen zij dit ook niet omvatten. Dit is voor al die overgangen, dus ook voor de hoogste graad. Ook het tegenwoordige ras leeft verspreid en is toch één, allen hebben één stoffelijke graad van organisme bereikt, al spreken zij verschillende talen. Dat heeft met dit alles niets uit te staan. (...)
Het is opmerkelijk dat dezen meer gevoel bezitten dan die anderen. Wij kunnen dit aanvaarden, want wij kennen de werking van al die stoffelijke lichamen. Hoe dichter zij een ander ras naderen, hoe meer zij daarvan tevens gaan leren en dit vermeerdert hun kennis. Die kennis is niets dan aardse wijsheid, belevenissen die zij in hun dagelijks leven opdoen, maar waardoor hun innerlijke leven niet kan veranderen, integendeel, het zal hen aansporen het kwade te zoeken, omdat zij al die dingen die de verhoogde toestand bezit, en dus een hogere graad is, willen bezitten.
Hoe deze mensenkinderen hebben te lijden, zal je duidelijk zijn. In hun natuurlijke toestand zijn zij rustig, maar in verbinding met de meer hogere stoffelijke graden geheel overstuur, omdat al die menselijke eigenschappen hen in de war brengen.Toen de eerste mensen op aarde leefden en met anderen in verbinding kwamen, ontstond de handel. Wat de één bezat wilde de ander ook hebben en dit is nu nog allemaal aanwezig.
Toen de eerste zielen hun lichaam na duizenden jaren tot de derde graad van stoffelijke ontwikkeling hadden gebracht en zich hadden afgesplitst van de andere twee stoffelijke graden, leefden er drie soorten stammen op aarde. Al deze zielen leefden nog in het oerwoud, maar ze leefden gescheiden van elkaar omdat ze door hun verschillend lichaam een verschillend gevoelsleven hadden ontwikkeld, waardoor ze een andere levenswijze hadden opgebouwd. Het is opmerkelijk dat dezen meer gevoel bezitten dan die anderen. Wij kunnen dit aanvaarden, want wij kennen de werking van al die stoffelijke lichamen. Hoe dichter zij een ander ras naderen, hoe meer zij daarvan tevens gaan leren en dit vermeerdert hun kennis. Die kennis is niets dan aardse wijsheid, belevenissen die zij in hun dagelijks leven opdoen, maar waardoor hun innerlijke leven niet kan veranderen, integendeel, het zal hen aansporen het kwade te zoeken, omdat zij al die dingen die de verhoogde toestand bezit, en dus een hogere graad is, willen bezitten.
Hoe deze mensenkinderen hebben te lijden, zal je duidelijk zijn. In hun natuurlijke toestand zijn zij rustig, maar in verbinding met de meer hogere stoffelijke graden geheel overstuur, omdat al die menselijke eigenschappen hen in de war brengen.Toen de eerste mensen op aarde leefden en met anderen in verbinding kwamen, ontstond de handel. Wat de één bezat wilde de ander ook hebben en dit is nu nog allemaal aanwezig.
Het Ontstaan van het Heelal p. 316-318
Op dat moment was de ziel als persoonlijkheid in deze drie graden nog 'rustig'. Alcar geeft aan dat de ziel die rust verloor toen er later meerdere stoffelijke graden ontstonden. De 'bezittingen' van de hogere stoffelijke graden, zoals goud en sieraden, prikkelden het gevoelsleven van de derde stoffelijke graad. Al dat stoffelijk bezit maakte deze mensen verschrikkelijk onrustig, het veroorzaakte een jacht in hun gevoelsleven om zich dat ook eigen te maken. In eerste instantie wilden ze dat bezit van die hogere stoffelijke graden wegroven, maar dat werd onmogelijk omdat de persoonlijkheid van de ziel in de hogere lichamelijke graden ook meer dodelijke wapens ontwikkelde. Toen is het gevoel van 'ruilen' ontstaan, de ruilhandel deed haar intrede. Voordien kende de ziel als persoonlijkheid waarvan het lichaam tot de derde stoffelijke graad behoort dit gevoel nog niet, bij haar gold alleen het (dierlijke) recht van de sterkste. Wie het sterkste lichaam bezat, roofde en steelde het bezit van een ander, en vergaarde zo zijn eigen rijkdom bij elkaar.