Jozef Rulof en Alcar
Heeft de mens een ziel? Zo ja, waaruit bestaat die ziel? Hoe verhoudt die ziel zich tot ons lichaam? Waar en wanneer is de ziel geboren? Is het mogelijk hier iets zinnigs over te zeggen? Kunnen we iemand vinden die het gezien heeft, die ooggetuige geweest is van het ontstaan van de ziel? Toch worden deze vragen duidelijk en uitvoerig beantwoord in de trilogie 'Het Ontstaan van het Heelal', de vijfde publicatie van Jozef Rulof. Maar hoe kon Jozef - die als schrijver van deze boeken aangeduid wordt - hierover iets weten? Hij was niet geleerd, hij had geen enkele schoolse opleiding genoten, hij verdiende op dat moment zijn boterham als taxichauffeur in Den Haag, Nederland.
In het voorbericht van 'Het Ontstaan van het Heelal' schreef Jozef:
Geachte lezer, Ook deze trilogie heb ik van Gene Zijde ontvangen. Wat u in al die andere boeken hebt gelezen is wonderlijk, doch dit grenst aan het ongelooflijke. Tóch heb ik dit aan gene zijde mogen beleven en toen het was geschied, werd het vastgelegd. Hierin behandelt mijn leider het ontstaan der schepping. Dit eerste deel gaat over 'Het Stoffelijke Organisme'. Het tweede behandelt 'Het Zielenleven' en het derde deel 'De Wedergeboorte op aarde'. Alcar vertelt, hoe hij aan gene zijde werd overtuigd en ik mocht het met hem, door uit te treden, beleven.
Jozef geeft aan dat hij deze trilogie niet zelf heeft geschreven, maar net zoals zijn andere boeken van 'Gene Zijde' heeft ontvangen. Die onzichtbare wereld waar mensen leven die op aarde gestorven zijn werd reeds uitvoerig beschreven in zijn eerste trilogie 'Een Blik in het Hiernamaals'. Ook de opleiding van Jozef tot medium, tot contactmiddel tussen onze wereld en de onzichtbare geestelijke wereld komt ruim aan bod in die eerdere boeken. Het Ontstaan van het Heelal, voorbericht
Als kind reeds ziet Jozef geestelijke kinderen en volwassenen, met wie hij praat en speelt. Zijn helderziendheid geeft hem de mogelijkheid te schouwen in een geestelijk-astrale wereld die achter de aardse werkelijkheid verborgen ligt. Wanneer hij volwassen wordt, maakt hij kennis met zijn geestelijke leider Alcar. Alcar laat Jozef zien dat Alcar in de 17e eeuw als kunstschilder op aarde geleefd heeft. Na zijn dood begon Alcar mens en wereld diepgaand te bestuderen. Gedurende honderden jaren verzamelt hij zo een aanzienlijke hoeveelheid kennis over het leven voor en na de aardse dood. Hij leert de werking van het menselijke lichaam kennen, met de verschillende graden van slaap. Hij ziet dat deze graden overeenkomen met de graden van mediumschap. Zo is hij in staat Jozef te ontwikkelen tot een hoge graad van medium, wat maar zelden voorkomt op aarde. Dit mediumschap wordt zo hoog opgevoerd dat het medium de boeken die geschreven worden niet meer kan beïnvloeden door zijn eigen denken. Alcar wil immers de omvangrijke kennis over mens en kosmos die hij heeft opgedaan in de geestelijke wereld zuiver en ongefilterd doorgeven aan de mensheid.
Jozef zegt hierover in het voorbericht van 'Het Ontstaan van het Heelal':
Alcar sprak in het derde deel van 'Een Blik in het Hiernamaals' over mijn mediumschap en dat ik dat in waarheid niet eens in eigen handen heb. Hij zegt daarin, waarom dit nodig was en u voelt daardoor, dat alles wat ik heb ontvangen, de reine en zuivere waarheid moet zijn of ik zou het niet hebben ontvangen. Hoe zou ik, die daarvan nooit heb gehoord, nooit een boek over dergelijke geestelijke wonderen in handen heb gehad, dit toch kunnen vertellen? Waar zou ik al deze wijsheid, al die wonderbaarlijke problemen, de honderden vragen, die in deze boeken worden beantwoord en waarvan wij aardse mensen niets kunnen weten, hebben opgedaan? (…) Het geeft ons antwoord op al onze vragen: Vanwaar wij zijn gekomen en waarheen wij gaan. - Of er een ander leven is na dit verschrikkelijke aardse en stoffelijke leven. - Of er planeten zijn die bewoond zijn. - Of wij vele malen op aarde terugkeren. En nog vele vragen meer. (…) Of u dit wilt aanvaarden, moet ge u zelf afvragen. Alcar zegt, diep in ons ligt het antwoord en dat moet gij vóélen, geen mens kan u dat opdringen. (…) Heel dankbaar ben ik, dat ik dit mocht ontvangen voor hen, die dit kunnen voelen en in zichzelf durven af te dalen om het antwoord te zoeken. Zelf kon ik dit niet beschrijven, want ook voor mij is dit te wonderlijk. Alleen zij kunnen dat, die er van weten, zij, die op aarde hebben geleefd en nu dáár zijn, waar ook eens voor ons allen geluk is.
Het Ontstaan van het Heelal, voorbericht