Hulp voor de aarde
Maar de eerste zielen hebben hun 'schuld' niet vergeten. Toen zij inzagen dat zijzelf aan de basis lagen van het begin van deze ellende, togen zij aan het werk om deze ellende op te lossen. Zij vormden een orde in het leven na de dood, die zich tot doel heeft gesteld de mens op aarde te dienen door het menselijk lijden te verzachten en een geestelijk weten te brengen. Meester Alcar behoort tot deze orde. Om de mens op aarde te kunnen helpen, bestuderen zij het leven op aarde. Zij vergaren hun kennis door ervaring, door geestelijk-wetenschappelijk onderzoek. Doordat zij met duizenden zijn, en niet meer beperkt worden door aardse belemmeringen of aardse tijd, hebben zij in de loop der eeuwen een machtige geestelijke universiteit opgebouwd, die de 'Universiteit van Christus' wordt genoemd, omdat Christus de 'mentor' is van deze universiteit.
Toen de allereerste mensen de sferen van licht hadden opgebouwd, begrepen zij dat er voor de mensheid op Aarde gewerkt moest worden. Zij hadden het leven op Aarde en aan deze zijde leren kennen en door zichzelf in het stoffelijk organisme op te sluiten, beleefden zij ook de ziekten van de Aarde (...)
'Wat moeten wij voor al die mensen doen?' vroegen zij zich af, in het weten dat het leven op Aarde een lijdensgeschiedenis was. Zij zagen van deze wereld uit in al hun duizenden levens en begrepen nu eerst goed de ellende ervan. Spoedig kwamen zij tot een besluit en gingen aan het werk. Duizenden van hen keerden naar de Aarde terug om er te helpen. Anderen werden er opnieuw geboren en werden van deze Zijde uit geïnspireerd en zo ontstonden de eerste vindingen. Van deze zijde uit zag men steeds scherper hoe de mensheid geholpen kon worden. Uit hen kwamen de eerste doktoren-medicijnmannen voort, want zij kenden de ziekten van de Aarde, ook al wisten zij toen nog niet hoe die eigenlijk waren ontstaan. Maar alras leerden zij ook het ontstaan van de ziekten kennen en toen ontstond de Tempel der Medici aan deze zijde!
Zij bleven de zieken van de Aarde volgen en maakten er een grondige studie van. (...)
Onder hun werk en dienen zagen zij de goddelijke kracht van het zielenleven en hoe de stoffelijke organen door het innerlijk leven werden gevoed. (...)
Zij besloten toen om het allereerste verschijnsel ervan te onderzoeken. (...)
In het embryonale leven waren er geen ziekten. (...) De meesters gingen naar de bijplaneten. Maar op de tweede kosmische levensgraad (...) konden zij al evenmin ziekten vaststellen. Ook hier was het stoffelijk en innerlijk leven in niets besmet, want het bewustzijn ervoor moest daar nog ontwaken. (...) Zij zweefden naar de Aarde terug en volgden ook op deze planeet al de levensgraden voor het stoffelijk lichaam. Toen zagen zij het ontstaan van de ziekten! (...)
De meesters zagen een geweldige studie voor zich. Alles gingen ze nu na en kwamen zo tot ontleding. Zijzelf, leerden ze, hadden aan het ontstaan geholpen, door hun wil om te beleven, te bevruchten. Door met andere stoffelijke levensgraden het éénzijn te beleven, schiepen zij afbraak voor het organisme. Hun graad splitste zich erdoor. Die bewijzen ervoor kregen ze, toen zij hun eigen levens volgden. Zij hadden zelf schuld aan al die ellende en moesten aanvaarden dat zij niet de geestelijke, maar de stoffelijke afbraak hadden gediend. Ze stonden nu voor hun eigen gedrag, voor hun levens die in onbewustzijn waren volbracht, en zij begrepen! (...)
De mensheid stond voor een ramp en in de loop der eeuwen zou de aftakeling nog verschrikkelijker worden! Er moest iets tegen dit onheil worden gedaan. (...) Deze meesters werden als gebroken door de natuurlijke bewijzen die ze opdeden. Een berg van ellende zagen zij voor zich. Wie zou al die verschrikkingen kunnen oplossen? (...)
In al de graden voor het organisme viel de verzwakking waar te nemen. Ook het hoogste ras was bezoedeld, niet één graad was eraan ontkomen. Zenuw- en spierstelsels leefden op halve krachten, want de ondergrond was volkomen vernietigd. (...)
Niet één mens in de ruimte was van schuld vrij te pleiten. Het menselijk bewustzijn, het dierlijk verlangen in de mens had deze ellende geschapen. De man wilde stoffelijk bezitnemen van de vrouw, en waar hij haar ontmoette, overmeesterde hij haar en leefde zich door haar lichaam uit. In de bossen speelde zich dit drama af en reeds hier begon de stoffelijke afbraak. Door zo voort te gaan moest het leven op Aarde eens instorten. (...)
Toen kwam het ogenblik dat deze meesters berichten ontvingen uit de hogere regionen, dat er instrumenten zouden komen die de mensheid van dit lijden zouden verlossen. Er werd reeds aan gewerkt. Zij behoefden dus niet te wanhopen, de meesters. Zij hadden al ingezien dat de medicijnen maar een hulpmiddel waren. Medicijn alléén kon de ziekte niet overwinnen. Nu zouden er dus instrumenten op Aarde worden gebracht en deze zouden de ziekten geheel doen oplossen. De mensheid zou er evenwel eerst voor moeten ontwaken. En daarop was het wachten. De meesters kregen bericht rustig verder te gaan en zich door niets te laten storen. (...)
Straks krijgen deze technische wonderen geestelijke betekenis, ze dienen dan voor het machtig instrument dat alle ziekten van de Aarde zal doen oplossen.
'Wat moeten wij voor al die mensen doen?' vroegen zij zich af, in het weten dat het leven op Aarde een lijdensgeschiedenis was. Zij zagen van deze wereld uit in al hun duizenden levens en begrepen nu eerst goed de ellende ervan. Spoedig kwamen zij tot een besluit en gingen aan het werk. Duizenden van hen keerden naar de Aarde terug om er te helpen. Anderen werden er opnieuw geboren en werden van deze Zijde uit geïnspireerd en zo ontstonden de eerste vindingen. Van deze zijde uit zag men steeds scherper hoe de mensheid geholpen kon worden. Uit hen kwamen de eerste doktoren-medicijnmannen voort, want zij kenden de ziekten van de Aarde, ook al wisten zij toen nog niet hoe die eigenlijk waren ontstaan. Maar alras leerden zij ook het ontstaan van de ziekten kennen en toen ontstond de Tempel der Medici aan deze zijde!
Zij bleven de zieken van de Aarde volgen en maakten er een grondige studie van. (...)
Onder hun werk en dienen zagen zij de goddelijke kracht van het zielenleven en hoe de stoffelijke organen door het innerlijk leven werden gevoed. (...)
Zij besloten toen om het allereerste verschijnsel ervan te onderzoeken. (...)
In het embryonale leven waren er geen ziekten. (...) De meesters gingen naar de bijplaneten. Maar op de tweede kosmische levensgraad (...) konden zij al evenmin ziekten vaststellen. Ook hier was het stoffelijk en innerlijk leven in niets besmet, want het bewustzijn ervoor moest daar nog ontwaken. (...) Zij zweefden naar de Aarde terug en volgden ook op deze planeet al de levensgraden voor het stoffelijk lichaam. Toen zagen zij het ontstaan van de ziekten! (...)
De meesters zagen een geweldige studie voor zich. Alles gingen ze nu na en kwamen zo tot ontleding. Zijzelf, leerden ze, hadden aan het ontstaan geholpen, door hun wil om te beleven, te bevruchten. Door met andere stoffelijke levensgraden het éénzijn te beleven, schiepen zij afbraak voor het organisme. Hun graad splitste zich erdoor. Die bewijzen ervoor kregen ze, toen zij hun eigen levens volgden. Zij hadden zelf schuld aan al die ellende en moesten aanvaarden dat zij niet de geestelijke, maar de stoffelijke afbraak hadden gediend. Ze stonden nu voor hun eigen gedrag, voor hun levens die in onbewustzijn waren volbracht, en zij begrepen! (...)
De mensheid stond voor een ramp en in de loop der eeuwen zou de aftakeling nog verschrikkelijker worden! Er moest iets tegen dit onheil worden gedaan. (...) Deze meesters werden als gebroken door de natuurlijke bewijzen die ze opdeden. Een berg van ellende zagen zij voor zich. Wie zou al die verschrikkingen kunnen oplossen? (...)
In al de graden voor het organisme viel de verzwakking waar te nemen. Ook het hoogste ras was bezoedeld, niet één graad was eraan ontkomen. Zenuw- en spierstelsels leefden op halve krachten, want de ondergrond was volkomen vernietigd. (...)
Niet één mens in de ruimte was van schuld vrij te pleiten. Het menselijk bewustzijn, het dierlijk verlangen in de mens had deze ellende geschapen. De man wilde stoffelijk bezitnemen van de vrouw, en waar hij haar ontmoette, overmeesterde hij haar en leefde zich door haar lichaam uit. In de bossen speelde zich dit drama af en reeds hier begon de stoffelijke afbraak. Door zo voort te gaan moest het leven op Aarde eens instorten. (...)
Toen kwam het ogenblik dat deze meesters berichten ontvingen uit de hogere regionen, dat er instrumenten zouden komen die de mensheid van dit lijden zouden verlossen. Er werd reeds aan gewerkt. Zij behoefden dus niet te wanhopen, de meesters. Zij hadden al ingezien dat de medicijnen maar een hulpmiddel waren. Medicijn alléén kon de ziekte niet overwinnen. Nu zouden er dus instrumenten op Aarde worden gebracht en deze zouden de ziekten geheel doen oplossen. De mensheid zou er evenwel eerst voor moeten ontwaken. En daarop was het wachten. De meesters kregen bericht rustig verder te gaan en zich door niets te laten storen. (...)
Straks krijgen deze technische wonderen geestelijke betekenis, ze dienen dan voor het machtig instrument dat alle ziekten van de Aarde zal doen oplossen.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien p. 315-323