Het stoffelijk bezit
Die aardse genoegens ontdekt de ziel als mens pas in de volgende graad van stoffelijke ontwikkeling. Alcar legt uit dat de eerste zielen pas na duizenden reďncarnaties het lichaam tot de tweede stoffelijke graad hebben gebracht. De zielen stuwen - net als op de vorige planeten - het lichaam vooruit en de persoonlijkheid van de mens ervaart het beleven van die verhoogde lichaamsgraad van stoffelijke ontwikkeling. Deze beleving van het lichaam van de tweede stoffelijke graad geeft de persoonlijkheid nu het gevoel van iets 'te bezitten'. Om André duidelijk te maken hoe anders de ziel als persoonlijkheid zich nu al voelt reist Alcar met André naar een groep zielen waarvan het lichaam tot de tweede stoffelijke graad behoort.
[André:] Behoren die anderen reeds tot de tweede graad?'[Alcar:] 'Ja, je ziet dat zij andere lichamen bezitten en al is die verandering niet zo opvallend, toch is dit een andere graad en de tweede stoffelijke graad die wij kennen. Ook deze mensen zijn innerlijk anders, want zij voelen en begrijpen meer, zijn niet meer zo schuw. Er zijn reeds vele innerlijke veranderingen zichtbaar, innerlijk en uiterlijk zijn zij dus anders. (...)Deze mensen nu voelen anders. Zij zijn niet voordierlijk meer, maar dierlijk. Ook zij kunnen niet nalaten hun medemensen af te maken en op te eten, ook al zijn zij over het algemeen verder dan zij waar wij zo-even waren. Toch gaan zij nu reeds andere dingen doen, want zij bezitten gevoel, hoewel dat gevoel dierlijk is. (...)Toch is er iets in hen wat hen boven die anderen verheft en dat is de tweede stoffelijke graad, waardoor zij dit gevoel ontvangen. Dus nog ontvangen zij, hebben geen bezit, maar ontvangen steeds, totdat zij iets van zichzelf maken. Eerst dan wanneer zij niet meer kunnen doden, dan komen zij in harmonie met het leven waarin zij zijn. In elk aards leven leren zij. Wat zij zich in een aards leven eigen hebben gemaakt, dat blijft hun bezit. Op deze wijze gaan zij verder. Maar hoelang nog? Tot in de hoogste graad, want ook daarin zullen zij leven en zich vergeten. Zo is de gehele schepping, zo gaan zij van het ene leven in het andere over.De mensen willen bezit en wanneer zij het bezitten, dan moeten zij weer wat anders, en ook dat andere deugt niet. Het ene stoffelijke kleed, dit zal je thans duidelijk zijn, geeft hun meer dan het vorige. (...) In al die stoffelijke graden ligt aards geluk en dat geluk is hetgeen op aarde tot stand is gebracht. Dat zijn de dingen die zij van onze zijde hebben ontvangen en in al die graden aanwezig zijn. Je voelt dan tevens dat iedere stoffelijke graad zijn eigen kracht bezit en dat het geluk en die dingen die het leven op aarde veraangenamen, daartoe behoren. Voel je wat hen wacht? Dat zij dit zullen ontvangen, maar dat zij zich tevens zullen vergeten? Dat zij naarmate zij hoger komen al die stoffelijke dingen, al die rijkdom, al die schatten der aarde willen bezitten, maar dat ook zij daarin te gronde zullen gaan? Dit gaat zo voort, André, totdat zij de hoogste graad in de stoffelijke wereld hebben bereikt, en dit geschiedt, zij moeten hun aardse kringloop volbrengen. Wij zullen dat zien en ik zal het je tonen, nog weten zij hier niet beter en kennen al die schatten der aarde niet, maar zie hoe zij hier reeds al die aardse prullen verzamelen. Hier reeds ontwaken deze hartstochten. In het oerwoud, ver van de intellectuele wereld verbannen, verzamelen zij aardse dingen en daar ligt hun menselijk geluk en hun ganse innerlijk aan vast. Dat is het wezen, dat is de ziel, dat is hun persoonlijkheid.En die persoonlijkheid groeit, ontwaakt, moet ontwaken, nadat zij in een hoger stadium komen, wat voor hen het verhoogde stoffelijke organisme is. Doch zijzelf, het bezielende leven zal daardoor ontwikkelen. De ontwikkeling die zij thans bezitten, stemt hen op het dierbewustzijn af. Hier zien wij het beginstadium van menselijke hartstochten, die wij in verfijnde toestand in de hoogste graad terugzien.Zie hoe zij zich reeds opmaken, nu reeds hun donkere lichamen versieren. Zie waarheen dat gaat en je komt in de bewoonde, de intellectuele wereld, in de grote steden, daar waar alles anders is. Ook daar zien wij deze eigenschappen, verzamelen de mensen alles, bezitten zij hartstocht voor al deze dingen.Nog bevinden deze wezens zich in de natuur, in het oerwoud, doch hoe verder zij komen, hoe meer verliezen zij al dit natuurlijke dat nog in hen is en gaan tot hoger bewustzijn over. Zij worden wellicht koningen en keizers en de intellectuelen van de aarde, of de armen. Want eens is het zover, eens hebben zij dat bereikt, maar dan zijn wij duizenden eeuwen verder. Langzaam maar zeker gaan zij in die andere stoffelijke graden over. De natuur of de schepping brengt hun dat aardse geluk.
Het Ontstaan van het Heelal p. 305-307
Zij verlangen te bezitten en zullen bezitten wat in hun ogen zo mooi is. Hier zijn het stukken steen, stukken hout (...) Op oudere leeftijd waren die gevoelens krachtiger en door onze lichamelijke kracht sloegen wij anderen neer om alleen dát wat zij hadden, te willen bezitten. Dat is het oergevoel, dat in het instinct is overgegaan, maar dat velen zelfs in de hoogste stoffelijke toestand op aarde nog bezitten en dat je zult zien en beleven.
Daar worden mensen geslacht voor die prullen, doch dan zijn die dingen goud, zilver, diamanten en paarlen, al die kostbare aardse dingen die alleen voor hen kostbaar zijn. Dat wil eenieder bezitten, maar dat moesten zij naast zich neer kunnen leggen. Dat is echter niet mogelijk, want zij zijn nog niet zover, zodat zij daar vele malen voor terug zullen keren. Dat terugkeren is voor hen een kwelling, maar die kwelling komt omdat zij gaan voelen wat hen wacht. Want de mensen willen geen strijd, geen smart, zij willen al deze aardse dingen houden, genieten van al deze prullen, die wij reeds in de oertijd begonnen te verzamelen.
Eens komt hieraan een einde. Dan verzamelen wij alleen geestelijke schatten en maken ons al die eigenschappen, die ons geestelijke karakter uitmaken, eigen en dat neemt ons niemand meer af. Van gene zijde juichen zij ons dan toe, want hoe meer wij van die schatten verzamelen, hoe meer zien wij ons innerlijk veranderen en ontwikkelen, en verfraaien wij onze geestelijke woning. Dat laatste ligt duizenden eeuwen van hen die hier leven verwijderd, maar ook voor hen die reeds die stoffelijke hoogte hebben bereikt. Eens zullen zij sterven en het leven na de dood binnentreden. Ook in de hel verzamelen zij al die dingen, die aardse prullen, dat heb je beleefd, André, ook daar tooien zij zich met paarlen en diamanten, doch die prullen zijn even vals als hun geestelijk leven.
Zie die prachtige stoffelijke lichamen! Zie hoe dit lichaam leeft en straalt, hoe krachtig het is. Het tintelt van levenskracht en hoe vurig zijn zij, hoe kinderlijk en natuurlijk! (...)
Nu wij thans zover zijn gekomen, is het stoffelijke organisme het innerlijke leven ver vooruit. Deze stoffelijke lichamen zijn in wezen volmaakt, doch hun innerlijke leven heeft eerst de voordierlijke en dierlijke afstemming bereikt.
Door de verhoogde kracht en werking van het lichaam van de tweede stoffelijke graad krijgt de ziel als persoonlijkheid nu andere gevoelens. Zij leert de gevoelens 'waardevol' en 'eigendom' kennen, ze krijgt belangstelling voor het 'bezitten'. Waar de ziel als persoonlijkheid met een lichaam van de eerste stoffelijke graad helemaal niet bezig was met de jacht naar persoonlijke eigendommen, spendeert ze in een lichaam van de tweede stoffelijke graad al veel tijd aan het verkrijgen en behouden van datgene wat in haar ogen waardevol is. In een lichaam van de eerste stoffelijke graad is het gevoelsleven van de ziel alleen bezig met eten, slapen en voortplanten, net als op de tweede kosmische levensgraad. Wanneer er geen dieren voorhanden zijn, is ook een menselijk lichaam een stukje vlees dat de honger kan stillen. Honger voelen, honger oplossen. Net als op Mars. Basisgevoelens van overleving. De ziel in een lichaam van de tweede stoffelijke graad op aarde krijgt al enig gevoel voor 'schoonheid', de persoonlijkheid gaat zijn lichaam al 'opmaken', gaat zichzelf al mooi maken voor zijn medemens. Schoonheid en eigendom doen hun intrede in het menselijk bewustzijn. Daar worden mensen geslacht voor die prullen, doch dan zijn die dingen goud, zilver, diamanten en paarlen, al die kostbare aardse dingen die alleen voor hen kostbaar zijn. Dat wil eenieder bezitten, maar dat moesten zij naast zich neer kunnen leggen. Dat is echter niet mogelijk, want zij zijn nog niet zover, zodat zij daar vele malen voor terug zullen keren. Dat terugkeren is voor hen een kwelling, maar die kwelling komt omdat zij gaan voelen wat hen wacht. Want de mensen willen geen strijd, geen smart, zij willen al deze aardse dingen houden, genieten van al deze prullen, die wij reeds in de oertijd begonnen te verzamelen.
Eens komt hieraan een einde. Dan verzamelen wij alleen geestelijke schatten en maken ons al die eigenschappen, die ons geestelijke karakter uitmaken, eigen en dat neemt ons niemand meer af. Van gene zijde juichen zij ons dan toe, want hoe meer wij van die schatten verzamelen, hoe meer zien wij ons innerlijk veranderen en ontwikkelen, en verfraaien wij onze geestelijke woning. Dat laatste ligt duizenden eeuwen van hen die hier leven verwijderd, maar ook voor hen die reeds die stoffelijke hoogte hebben bereikt. Eens zullen zij sterven en het leven na de dood binnentreden. Ook in de hel verzamelen zij al die dingen, die aardse prullen, dat heb je beleefd, André, ook daar tooien zij zich met paarlen en diamanten, doch die prullen zijn even vals als hun geestelijk leven.
Zie die prachtige stoffelijke lichamen! Zie hoe dit lichaam leeft en straalt, hoe krachtig het is. Het tintelt van levenskracht en hoe vurig zijn zij, hoe kinderlijk en natuurlijk! (...)
Nu wij thans zover zijn gekomen, is het stoffelijke organisme het innerlijke leven ver vooruit. Deze stoffelijke lichamen zijn in wezen volmaakt, doch hun innerlijke leven heeft eerst de voordierlijke en dierlijke afstemming bereikt.
Het Ontstaan van het Heelal p. 313 -315
Toen de eerste zielen dit lichaam van de tweede graad van stoffelijke ontwikkeling hadden opgebouwd, zonderden zij zich af van de zielen die later op aarde waren aangekomen en waarvan het lichaam nog tot de eerste stoffelijke graad behoorde. De zielen die in een lichaam van de tweede stoffelijke graad leefden wilden immers een ander soort leven uitbouwen, en voelden zich niet meer verwant met de voordierlijke levenswijze van de eerste stoffelijke graad. Op dat moment leefden de zielen waarvan het lichaam tot verschillende stoffelijke graden behoorden dus van elkaar verwijderd:
Zij kunnen zich niet aaneensluiten, ook al zouden zij dat willen. Die graden kunnen niet worden verbonden, want die stoffelijke graden leven gescheiden. Het is een wet die hen van elkander scheidt. Dit is de natuur, en is de eerste en tweede graad. Diep in hen ligt dat wonder en zij reageren erop als iets natuurlijks. Beide graden kunnen elkaar niet uitstaan.
Het Ontstaan van het Heelal p. 306