Het ontstaan van ons hiernamaals

Leven na leven maakt de ziel haar karma goed. Tussen twee levens in komt zij tot rust in de 'wereld van het onbewuste'. Wanneer er geen mensen meer op aarde of in de wereld van het onbewuste leven aan wie de ziel heeft goed te maken, komt de ziel vrij van de aardse reďncarnaties. Zij heeft dan haar aardse kringloop beëindigd, en kan niet meer aangetrokken worden door aardse ouders. Zij wordt dan aangetrokken door de astraal-geestelijke wereld, die zij inmiddels zelf heeft opgebouwd door de uitstraling van haar gevoelens. 

Meester Alcar kijkt in de geest terug naar de allereerste zielen die hun aardse kringloop gingen voltooien: 

Ik keer nu tot die eerste mensen terug (...) want deze wezens zouden sterven. Wij volgen hen thans als geestelijke wezens (...) De planeet aarde was gereed, doch wat geschiedde er in de astrale wereld? Ook voor het innerlijke leven was er een wereld, en die wereld werd het evenbeeld van de aarde, doch in een geestelijke toestand. Ik ga je daarmee verbinden.' 

André voelde zich wegzinken en ging waarnemen. 

'Je ziet, André, er heerst daar duisternis. De lichtende sferen waarin wij thans leven, waren er nog niet, want de mens bezat nog geen innerlijk licht, de innerlijk geestelijke mens moest nog worden geboren. Maar nu moet je eens goed opletten. De eerste mensen, wanneer zij op aarde gingen sterven, keerden naar de astrale wereld terug en wachtten daar af om opnieuw te worden aangetrokken. In die tijd gebeurde er niets anders dan geboren worden en sterven, terugkeren naar de aarde, om op aarde in een ander stofkleed over te gaan. Want al die wezens, het bezielende leven dus, moesten die weg volgen, om de volmaakte stoffelijke toestand te bereiken, en zij zouden zo vaak terugkeren tot die afstemming was bereikt. (...) 

'Dan ga ik nu eeuwen verder. Toch was er werking, gebeurde er iets in de astrale wereld, waarvan niemand iets wist. In de astrale wereld ontstond een andere wereld. Die wereld werd uit de mens geboren. (...) 

Ik heb je duidelijk gemaakt dat de mens in zijn stoffelijke toestand op aarde verder ging en ontwaakte en dat ontwaken betekende haat, hartstocht en verdierlijking. Iedere zonde die zij deden, iedere fout die de mens beging, door anderen het leven te ontnemen, door al die verschrikkingen dus, verdichtte zich de astrale wereld en dit werd de hel. In die wereld bouwde zich door haat, hartstocht en geweld een tweede wereld op, en die wereld werd de bestaanswereld voor hen die hun kringloop der aarde hadden volbracht. Ik ga nu enige duizenden eeuwen verder en toon je dan wat in die tijd geschiedde. Zie en neem waar, André.' 

'Mijn God, wat is dat, Alcar?' 

'De hel, André, de hel in het leven na de dood. De mens is bezig zich een hel te scheppen en in die eeuwen heeft zich de astrale wereld verdicht.' (...) 

'Leven hier reeds mensen?' 

'Neen, nog niet, die komen straks, wanneer dus de mensen de hoogste stoffelijke graad hebben bereikt.' 

Mijn God, wat verschrikkelijk, dacht André. 

'U zegt dat de astrale wereld, de hel dus, op de mens wacht?' 

'Ja, André, dit was niet te voorkomen. Helaas, de duisternis wacht. 

Dit zou de hel worden in het leven na de dood en die bouwde de mens zelf op. Want de mens is in een bewustzijnstoestand overgegaan, het innerlijke leven heeft zich dat eigen gemaakt. De hel werd dus uit de mens geboren, (...) 'Wanneer ik u duidelijk heb begrepen, Alcar, dan voel ik beide werelden. 

De eerste astrale wereld is de natuurlijke wereld, als ik het zo mag zeggen, maar onbewust, die andere wereld is bewust.' 

'Inderdaad, zo is het. Want de mens moet verder en hoger en al is dit de hel, toch is deze wereld een hoger stadium dan de wereld van het onbewuste. Eens zou het aardse einde komen. Het innerlijke leven werd bewust, heeft een dierlijk bewustzijn bereikt en stemt zich af op iets dat na de aardse dood de geestelijke bestaanswereld zou zijn. (...) 

Nu ga ik weer enige eeuwen verder en zul je zien hoe de hel zich verdichtte.' 

André ging dat volgende stadium waarnemen. Hoe kan het, dacht hij. Hij zag een bergachtig landschap. Dit was de hel, de schaduw van de werkelijkheid. Dit was de bewuste geestelijke wereld, doch de hel in het leven na de dood, de duisternis aan gene zijde. 

'Leven hier nog steeds geen mensen, Alcar?' 

'Neen, nog niet, eerst duizenden jaren later.' (...) 

'Dan kwam hun einde op aarde en traden zij een andere wereld binnen. 

Je voelt zeker wel, André, dat dit de eerste mensen van de hel waren, mensen die niet meer tot de aarde konden terugkeren, omdat zij hun stoffelijke kringloop hadden volbracht en zij door die andere wereld werden aangetrokken. In dit geval de duistere sferen, de astrale wereld, of de hel in het leven na de dood. Nu hadden deze wezens zich van de wereld van het onbewuste bevrijd en traden een bestaanswereld binnen. (...) 
Het Ontstaan van het Heelal p. 259-265 
Toen de eerste zielen hun aardse kringloop gingen beëindigen, hadden ze door hun levenswijze en gevoelens zonder het te weten al een volledige astraal-geestelijke sfeer opgebouwd. Hun haat en hun hartstocht werden immers steeds bewuster, zodat de aura die ze uitstraalden deze afstemming van bewust geweld met zich meedroeg. Eerst verijlde deze uitstraling, net als de eerste kosmische nevelslierten van de Albron verijlden. Na miljoenen jaren kreeg nu ook de menselijke uitstraling meer verdichting. Net zoals de eerste nevelslierten van de Alziel na biljoenen tijdperken bleven hangen en een kosmisch geestelijk gewaad weefden, kreeg ook het geestelijke gewaad van de menselijke ziel vorm en verdichting door de geestelijke uitstraling van haar gevoelsleven. En ook de astrale sfeer bouwde zich zo op, tot wat later op aarde ‘de hel’ genoemd zou worden. Deze astrale substantie kreeg vormen kleur in overeenstemming met de gevoelsgraad van diegenen die het uitgezonden en opgebouwd hadden. 

Toen de eerste zielen hun kringloop der aarde hadden volbracht, werden zij dan ook aangetrokken door hun eigen gevoelsenergie,door de sfeer die ze zonder het te weten zelf hadden opgebouwd. In die astralesfeer van haat, hartstocht en geweldbegonnen zij hetzelfde soort leven als datwat zij op aarde gekend hadden, want ingevoel waren ze in niets veranderd.