Herkansing en begaafdheid

De ziel begint eerst aan het oudste 'leed' dat ze veroorzaakt heeft. Ze keert na het beleven van de lichamen van de zevende stoffelijke graad terug naar het lichaam van de vierde graad en begint van daar af haar tweede levenstocht over Moeder Aarde. Ditmaal niet meer om de lichamen van de stoffelijke graden te beleven, maar wel om zich vrij te maken van haar eigen disharmonisch verleden. Dankzij de mogelijkheid om telkens weer te reďncarneren kan zij nu in elk leven een stapje zetten richting sferen van licht. 

Het innerlijke leven, dat de zevende graad heeft bereikt, daalt thans in de vierde graad neer, om in die stoffelijke graad goed te maken. (...) 

Dit geschiedt vanaf de vierde graad, omdat het bezielende leven de eerste drie graden niet kan binnengaan. De mens die in de vierde graad zijn broeder of zuster afmaakte, wordt nu door dat bezielende leven aangetrokken, omdat haat, die verschrikkelijke kracht, hen doet verbinden. Je ziet, zielen trekken nu zielen tot zich, het ene leven zal thans het andere ontmoeten en goedmaken. Die haat of hartstocht, hoe diep ook in het zielenleven teruggezonken, is tot ontwikkeling gekomen en trekt dat leven nu tot zich, en wij zien oorzaak en gevolg, leren deze goddelijke wet kennen. De oorzaak ligt duizenden eeuwen terug, doch de ziel keert tot daar eveneens terug, ontmoet dat leven op aarde en zal goedmaken. Dit is voor ieder mens, hierin ligt de diepte van het zielenleven. 

Als dit niet zo was, dan kon de mens onze sferen niet bereiken en was er voor het zielenleven geen mogelijkheid om goed te maken en aan zijn karma te beginnen. 
Het Ontstaan van het Heelal p. 327-328 
Dit betekent dat er vanaf de vierde stoffelijke graad zielen van diverse pluimage bij elkaar leven. Enerzijds de zielen die in hun eerste levenstocht tot de vierde graad van stoffelijke ontwikkeling zijn opgeklommen. Zij zijn bezig aan het verruimen van hun bewustzijn door het beleven van de verhoogde werking van de hogere stoffelijke graden. Zij zijn nog aan het opklimmen naar de zevende stoffelijke graad. 

En anderzijds zielen die het lichaam van de zevende stoffelijke graad al hebben beleefd, en terugkeren om hun karma en oorzaak en gevolg goed te maken. Deze zielen hebben meestal al wat meer 'gevoel' opgebouwd, waardoor ze 'anders' zijn dan hun lichaamsgenoten van de vierde stoffelijke graad. 

Daarom en daarom alleen zien wij onder hen intellectuelen, mensen met begaafdheid, zoals het hoogste ras op aarde is, en dat vinden wij in al die graden terug. De mens die dit beleeft, is zich natuurlijk van die wet niet bewust, want hij aanvaardt niet eens een eeuwig voortleven. En achter de dood ligt dit alles, eerst dán, wanneer wij het leven na de dood aanvaarden, leren wij al deze geestelijke wetten kennen. 
Het Ontstaan van het Heelal p. 328 
Meester Alcar licht dit toe aan de hand van zijn eigen verleden: 

In dat leven, toen ik daarin mijn haat, mijn verderf ging goedmaken, trok iets mij van het hogere ras aan en toen kon ik het onder die zwarte mensen niet meer uithouden. Toch had ik daar mijn taak volbracht, want die krachten waren in mij en hielden mij aan de plaats waar ik leefde gevangen. Maar later dreef mij echter iets voort, ik zocht en werd nooit voldaan. Ik hoorde daar niet en wilde bezitten dát wat die andere mensen op aarde hadden. Ik vroeg mij af waarom dat grote en machtige verschil in het aardse en stoffelijke kleed was waarin ik leefde, en ik keek naar de blanken, doch ik begreep niets van dit alles. 

Maar diep in mij was er iets dat mij voortdreef, dat ik niet kende en begreep en dat mij ook nimmer duidelijk zou worden. In dat leven echter was ik de slaaf van een ander wezen en daarin lag al mijn strijd en goedmaken. Hoe wonderlijk dit is zal je duidelijk zijn nu wij dit alles weten. 

Nu trad er opnieuw een andere wet naar voren, die ik eerst aan deze zijde, dus in de vierde sfeer, leerde kennen. Op vijfenzestigjarige leeftijd ging ik in dat zwarte kleed over. In dat leven had ik goedgemaakt en kwam mijn einde op aarde. Ik zou, waar het mij om gaat, deze leeftijd bereiken. Mijn geboren worden en sterven op aarde lag dus vast. Ik zou niet ouder en niet jonger kunnen sterven. Die wetten, André, leerde ik in de Tempel der Ziel kennen. 

Voel deze diepte aan en wanneer je dit voelt, dan weet je dat het geboren-worden en sterven op aarde vastligt, niets anders dan het karma is, dat deze wet beheerst. De dood op aarde betekende voor mij het einde van oorzaak en gevolg voor dat leven. Mijn dood op aarde was voor diegenen die mij liefhadden een groot verlies, zij voelden leed en smart, maar voor mij betekende de dood een genade, omdat ik in een andere toestand zou overgaan. Ik had in dat leven goedgemaakt, mijn eigen karma riep het verderleven op aarde een halt toe. Ik ging over en wachtte opnieuw op een andere incarnatie, waar ik, zoals in die vorige toestand, goed had te maken. Ik zal nu even mijn eigen leven blijven volgen, waardoor je een duidelijk beeld van enige levens ontvangt. Je ziet daardoor dat niet God het wezen roept, niet zegt 'nu is het genoeg', maar dat onze eigen toestand dit doet, en ons verleden is. Het is een natuurlijke wet, de wet van oorzaak en gevolg, die dit tot stand brengt. 

In de sferen van licht zag ik verschillende levens van mijzelf en zag dat ik na dat leven waarvan ik vertelde, in het Noorden overging. Maar in dat leven nu bezat ik het moederkleed. Vijfhonderd jaren waren er echter voorbijgegaan. In die vijfhonderd jaren leefde ik in de wereld van het onbewuste en toen ik door mijn ouders werd aangetrokken en daar dus werd geboren, beleefde ik de vijfde stoffelijke graad. 

Het diepe wonder, dat ik door de kosmische meesters mocht beleven, die mij met vele levens verbonden, omdat dit een bedoeling had, wat ik je ook later duidelijk zal maken, daarvan rilde en beefde ik en ik voelde diep ontzag in mij komen. In dat leven verlangde ik naar kinderen en die kinderen werden mij gegeven. Doch het wezen dat naast mij leefde, vervloekte mij en ik leed een leven als in de hel niet te beleven is. Op vijftigjarige leeftijd ging ik over, innerlijk gebroken en verscheurd. En waarom was dit alles? Ook ik had die ander het leven vernietigd. Ik had hem zó gepijnigd dat het met zijn leven geen raad wist en zich verpletterde. Ik was echter de oorzaak van zijn overgang en zou hem nu weer ontmoeten en dit geschiedde, want dat lag vast. Opnieuw trad ik de wereld van het onbewuste binnen. Het volgende leven dat ik waarnam en waarin ik was overgegaan, leefde ik in Egypte. Het is alles zo wonderbaarlijk, André, en voor de mensen op aarde raadselachtig, maar je kunt mij geloven, want ik spreek de heilige waarheid. 

Ik hielp mee aan een kosmisch plan, een gebeurtenis die met de diepe menselijke geschiedenis heeft te maken. Ik hielp bouwen aan de piramide van Gizeh. 
Het Ontstaan van het Heelal p. 328-330