Een warm gevoel

Het belangrijkste verschil met hun leven op aarde was echter de duisternis die in hun nieuwe geestelijke bestaan altijd overheerste. Zij vroegen zich af waar dat stoffelijk licht was gebleven dat hen voordien elke dag had beschenen. 

Meester Zelanus: 

Zij gingen vragen en zoeken - zei ik - zij hadden geen zon meer. (...) Ze gingen zoeken, naar wat? Naar de zon. En waartoe behoort de zon? Tot de aarde. En toen kwamen zij vanzelf, door hun zoeken waaiden zij in die richting. Maar die mensen gingen zoeken, ze gingen zich afvragen: 'Waar is de zon? Waar is het licht? Wat is er gebeurd?' (...) En omdat ze gingen zoeken, kwamen ze weer op aarde en toen zagen ze de mens (...) 
Lezingen deel 2 p. 89 
Door aan stoffelijke toestanden te denken werden zij teruggetrokken naar de aarde. Hier wilden ze opnieuw eten en hun dierlijke graad van liefde beleven, maar ze merkten dat hun lichaam veranderd was, dat hun geestelijke lichaam geen vat had op de aardse materie. Totdat ze ontdekten dat ze het lichaam van de aardse mensen konden gebruiken om hun hartstochten te beleven. Zo ontstond de eerste bezetenheid. Doordat de astrale geest en de mens op aarde dezelfde gevoelens deelden, kwamen beide gevoelslevens tot eenheid. 

Toen waren ze één, op aarde is nu de hoogste [lichamelijk-stoffelijke] graad bezeten door de astrale persoonlijkheid, nietwaar? De lagere [stoffelijke graden] zijn niet te bereiken (...) 
Lezingen deel 2 p. 90 
Steeds meer mensen werden bezeten. Zelfs in onze huidige tijd komt dit nog voor, ook al noemt de psychiatrie dit nu psychotisch en meervoudige persoonlijkheid. 

Aan deze eerste bezetenheid kwam pas een einde als het lichaam van de aardse mens geveld werd. Dan moest de astrale geest zijn prooi loslaten, en een ander mens zoeken om tot bezetenheid te voeren. Om te vermijden dat dit lichaam in andere handen zou overgaan, gingen de eerste zielen hun aardse mens beschermen. Door deze handelingen kregen de zielen een warm gevoel. Zij begrepen eerst niet waar die aangename warmte in hun gevoelsleven vandaan kwam, maar het was een verademing temidden van de kilte en duisternis waar ze geestelijk in leefden. 

Wanneer het dan daarna in hen stil werd, het vuur van hartstocht was gedoofd en zij verzadigd waren, dan stonden zij voor andere dingen open en hielpen de mensen op aarde voor het een of ander. 

En zie, hoe verbaasd waren zij, dat hetgeen zij de mens hadden ingeblazen, de mens deed en daarnaar handelde. Dit was nu niet het kwaad, maar het was iets wat in hun leven waarde had. Wanneer zich dus deze mensen hadden uitgeleefd, dan gingen zij die mensen beschermen, beangst als zij waren dat zij in andere handen zouden overgaan. Doch uit dit alles, je voelt het zeker, uit al die ellende en verdierlijking, al die haat en hartstocht, werd het goede geboren. Langzaam maar zeker groeide er iets in hen en zij zagen en beleefden dat wanneer zij voor het geluk van de mensen op aarde gingen zorgen, hen tegen vele andere dingen gingen beschermen, want ook dit was mogelijk, er meer licht was. Dan was er iets dat hen niet zo koud en droevig deed stemmen. Er was iets dat hen verwarmde, hen opbeurde en hen verlichtte. 

Vanaf dat ogenblik ontwaakte in deze wezens de innerlijke mens. 
Het Ontstaan van het Heelal p. 270-271