De ziel als koppensneller
Het stoffelijke organisme kent zeven gradenen de mensen die in de eerste graad leven,zijn diegenen op aarde die men koppensnellers noemt. Dat is dus de eerste stoffelijkegraad op aarde. Op al de planeten zijn deze graden, en die graden heb ik je getoond. Als dit nu zo is, waarom zou men dit alles op aarde dan niet kunnen aanvaarden? Is dat zo vreemd? Toon ik niet aan dat wij allen zo zijn geweest? Op aarde leven deze mensen, en als dit niet zo was, was er een onrechtvaardigheid in het universum en had God zich vergist. Zeven stoffelijke overgangen beleeft dus het menselijke wezen op aarde, wil de mens in het hoogste stadium overgaan. Wat wij dus op al die planeten hebben beleefd, beleven wij tevens op je eigen planeet waar jij nog bent en die ik heb afgelegd.
Het Ontstaan van het Heelal p. 173-174
Zwevend zullen wij ons voortbewegen, André. Wij gaan naar de oerwouden. Daar leven mensen in de eerste stoffelijke graad en ook hun innerlijke leven heeft deze afstemming. Wij gaan dus thans in je eigen tijd over en verder.(...) André zag deze mensen. Wild en woest waren zij. O, hoe begreep hij deze afstemming, hoe kende hij hun innerlijke leven en de diepe betekenis van dit alles. Hoe wonderlijk volmaakt is de schepping.'Deze mensenkinderen zijn als zij die op de tweede [kosmische levens]graad leven, doch hun stoffelijke organisme is anders dan zij daar bezitten. Vandaar komen zij naar de aarde en daalt het zielenleven in dit organisme neer. Biljoenen jaren is de aarde oud, en nog, je hebt dat beleefd, leven op aarde deze mensen. (...)Overzie nu eens al die graden, al die planeten en al die biljoenen jaren, ga na wat ik je op onze eerste tocht duidelijk maakte, wat je vanaf het begin van de schepping hebt waargenomen, dan zie je, André, dat deze mensen nog op aarde zijn (...) Dit voordierlijke maar menselijke wezen is een kind van God, en dit proces hebben wij gevolgd. Zij leven zoals de mens op de tweede kosmische graad aan gevoel bezit. Maar daar hebben zij een voordierlijk monsterachtig lichaam en daarom kan ik van voordierlijke maar menselijke afstemming spreken. In al die duizenden eeuwen is dit lichaam tot dat wat zij nu bezitten, ontwikkeld. Je hebt dat kunnen volgen. Ook zij leven in groepen verdeeld. En is dit nu niet merkwaardig? Waarom leven deze wezens zo, waarom zonderen zij zich af van al die andere stammen? Deze behoren toch tot het donkergekleurde ras en dat is het eerste kosmische stadium van de derde graad. Dit hebben wij leren kennen, André, het is nog steeds als in het beginstadium van de planeet aarde. Dit zien wij in jouw tijd dus terug, en het gaat verder, want nog is die eerste stoffelijke graad niet uitgestorven. Dit zal eerst dan geschieden, wanneer er op de tweede [kosmische levens]graad geen mensen meer leven.''Waar komen zij aan, Alcar, of waar gaan zij heen wanneer zij op aarde sterven?''Deze vraag had je mij niet moeten stellen, André, je had deze nu zelf kunnen beantwoorden. Naar de wereld van het onbewuste, André, daar gaan zij heen.''Moeten ook zij niet verder? Is het voor hen reeds mogelijk het hiernamaals binnen te treden?''Deze wezens leven eerst in de eerste stoffelijke graad en er zijn er zeven. Wat dit betekent zul je nu voelen en begrijpen. Zij, deze mensen, keren naar de wereld van het onbewuste terug en zullen opnieuw worden geboren.
Het Ontstaan van het Heelal p. 283-284
Begrijpen deze mensen waarom zij hier zijn?' (...)'Ook daarop moet ik neen zeggen, André. Zij weten dat zij leven, maar meer ook niet. Zij voelen zich als de mens op de tweede graad, zij jagen en moorden en eten mensenvlees en zijn als wilde dieren.''Maar als deze mensen nog op aarde zijn, kan men dan die verbinding met de tweede [kosmische levens]graad niet aanvaarden? Waar komen deze wezens vandaan? Waarom leven deze wezens op aarde?''Wij hebben dat alles kunnen volgen en dan kan ik je zeggen, dat geen mens van zichzelf kan zeggen: Ik ken mijzelf, ik begrijp mijn leven, ik weet wie ik ben.(...) Zij leven hun eigen leven, zonderen zich van de massa af, leven in holen en krotten en zijn gereed om andere rassoorten af te slachten en hun vlees te eten. Is nu deze mens, vraag ik je, zo vreemd, zo onbegrijpelijk, nu wij weten waarvandaan hij is gekomen en hoe dit is geschied? Zie je thans niet diep in zijn ziel en herken je deze mens niet geheel, stoffelijk en geestelijk? Doch vraag dat nu eens aan een geleerde van de aarde die hiervan zijn studie heeft gemaakt. Wat zal hij antwoorden? Hij weet het niet, want hoe zou hij deze zwarte vrouw en man, deze beide wezens kennen? Ziet hij niet als een godheid op hen neer? En toch, eens droeg hij dit zwarte kleed, want God kent en maakt geen onderscheid. Eens leefden al die blanken in het oerwoud, allen zijn wij hier geweest. (...)Hier, mijn zoon, in dit diepe en donkere oerwoud, hier in dit zwarte stoffelijke kleed en in al die ellende, begon jouw en mijn leven op aarde. Ik roep hun, mijn zusters en broeders op aarde, toe: 'Mens, gij mens van het blanke ras, zie naar uw broeders en zusters op aarde. Zie naar hen die hier leven, die op aarde zijn zoals gij en peil hun stoffelijke en geestelijke toestand en gij herkent uzelf. Hier leeft Gods eigen leven. Hier leeft de eerste en tweede kosmische graad, in dit stofkleed kennen wij Gods heilige wetten, daarin leefde u als de innerlijke mens. Dit leven gaat verder en moet verder gaan, want ook in hen ligt de Goddelijke vonk.''Hoe eenvoudig is alles, Alcar, nu wij dit weten. Zouden de geleerden ook dit niet aanvaarden?''Neen, André, ook dit zullen zij niet aanvaarden, zij zullen, zoals ik reeds zei, dit alles, zoals al je andere boeken, ontkennen. Zij staren zich blind op dat wat zij bezitten en komen niet verder. Nog steeds roept de dood hun een halt toe. Wanneer zij deze kloof kunnen overbruggen, eerst dan komen zij verder, dan eerst voelen zij dat er geen dood is en schouwen zij in het diepe verleden. De een maakt de ander af, zij durven te kritiseren, maar kennen zichzelf niet, loochenen alles wat van deze zijde tot hen komt.Nogmaals, André, mij zegt dit niets. Ik heb geduld en velen met mij, want eens treden zij hier binnen, aan deze zijde zullen wij hen overtuigen, een voor een zullen zij daar sterven.'
Deze uitspraken van Alcar werden hem door veel tijdgenoten van André niet in dank afgenomen. In 1939 keken vele blanke westerlingen als een godheid neer op de kannibalen uit het oerwoud. Alcar verklaarde dat zij zelf in het oerwoud hadden geleefd, en dus helemaal niet zo hooghartig hoefden te doen, dat iedere ziel in grote lijnen dezelfde evolutie beleeft, en dezelfde graden van stoffelijke en geestelijke evolutie doorloopt. Dit betekent dat iedere ziel in essentie 'gelijkwaardig' is, ongeacht het evolutiemoment van die ziel in het heden. Het Ontstaan van het Heelal p. 287-288
Alcar getuigt van zijn eigen verleden in de eerste stoffelijke graad:
Eens, André, vertoefde ik op de tweede kosmische graad en ging op de aarde over. Hier leerde ik het aardse leven kennen, maar in deze toestand was ik er mij niet van bewust. Eens, in deze toestand, in dit donkere lichaam, slachtte ik mijn medemensen en at ik mensenvlees. Hoe was mijn leven en dat van al mijn zusters en broeders, hoeveel hebben wij geleden en vernietigd? Maar wij moesten hier zijn, wij zouden hierin overgaan, wilden wij de hoogste graden bereiken.Eenieder zal dit echter beleven. Ik heb al mijn levens gezien en in honderden levens keerde ik naar de aarde terug. Al die levens zijn mij aan deze zijde getoond. Ik weet tevens waarom ik op aarde was en een meester in de kunst werd en waarom dat is geschied, want dit wonder heb ik aan deze zijde leren kennen. (...)Ik toonde je dit alles, en al die wonderen en planeten ken ik, heb ik beleefd, maar ben nu in de geestelijke sferen. Ik ben dus geweest, André, zoals deze mensen, maar ik schaam mij daar nu niet meer voor, want ik heb dat alles, al die ellende, al mijn fouten en zonden goedgemaakt. Ik hielp de duisternis opbouwen, want ik bracht leed en smart waar ik liefde had moeten brengen. Doch ik heb dat alles beleefd en biljoenen wezens eveneens, en nu keren wij naar de aarde terug, nu zijn vele mensen zover om naar ons te luisteren.
Het Ontstaan van het Heelal p. 312-313
Eenieder die op aarde leeft, welk ras ook, heeft hier eens geleefd en heeft die wetten, wat natuurwetten zijn, moeten volgen. In al de mensenrassen gaan wij over, en er is geen plaatsje op aarde, of wij zijn er geweest en hebben daar geleefd. Dat alles houdt met het stoffelijke organisme verband, de vele graden die er zijn en de vele rassen die verspreid op aarde leven. Van het ene leven gaan wij in het andere over en zullen ons in die levens iets eigen maken.
Het Ontstaan van het Heelal p. 461
Zie, hoe krachtig zij zijn. Van wetenschap (...) hebben zij geen verstand. Zij voelen alleen, kunnen niets dan voelen en dan nog op voordierlijke wijze. Dit is de mens die in zijn voordierlijke maar stoffelijke toestand leeft.
Met de zeven stoffelijke graden wordt in eerste instantie de ontwikkeling van het menselijk lichaam bedoeld. Het eerste lichaam dat de ziel op aarde heeft opgebouwd met een echt menselijke bouw en gestalte wordt de eerste stoffelijke graad genoemd. Dit is een benaming voor het lichaam, niet voor de ziel of haar gevoelsleven, noch voor de persoonlijkheid, en ook niet voor datgene wat wij 'mens' noemen. Er leeft geen 'mens' in een stoffelijke graad. Als de meesters over stoffelijke graad spreken hebben ze het over het lichaam waarin de ziel op dat moment leeft. Voor de aanduiding van de ontwikkelingsgraden van het innerlijke leven van de ziel, ons gevoelsleven, spreken de meesters over innerlijke gevoelsgraden of bewustzijnsgraden. Het Ontstaan van het Heelal p. 289
Het bewustzijn van de ziel waarvan het lichaam tot de eerste stoffelijke graad behoort is nog steeds hetzelfde als op Mars. Alcar noemt het 'voordierlijk' omdat de meeste dieren het vlees van hun soortgenoten niet opeten. De reďncarnaties tussen Mars en de aarde dienden dus alleen om het stoffelijke lichaam voort te stuwen en te verfraaien, maar het innerlijke gevoelsleven bleef achter bij de verfraaiing van het stoffelijke lichaam. Pas wanneer de ziel de zevende stoffelijke graad bereikt heeft, zal zij aan haar geestelijke ontwikkeling beginnen.
Vergeleken met het leven van André bezit de ziel die in het lichaam van de eerste stoffelijke graad leeft niets van wat het westerse leven zo veraangenaamt:
Deze mensen lopen naakt, kennen al die aardse genoegens niet die de mensen nu bezitten en die het leven op aarde veraangenamen.
Het Ontstaan van het Heelal p. 295