De vierde kosmische levensgraad

De eerste zielen waren, verbonden met hun tweelingziel, nu klaar om verder te evolueren, want ze kenden hun eigen verleden en ze voelden hun kosmische toekomst. 

Zij die dus de vierde sfeer hadden bereikt, voelden nu heel duidelijk dat zij geheel van de aarde vrij waren en dat niets stoffelijks meer in hen was. Zij voelden tevens dat zij in het Al leefden en die Goddelijke krachten in en om hen waren en dat zij zich deze eigen moesten maken. Deze wezens keerden niet meer naar de aarde terug, want zij konden zich in de sferen nuttig maken. Er was ook daar heel veel te doen. Ondertussen kwamen er leermeesters die van het aardse en geestelijke leven een studie hadden gemaakt. Zij onderrichtten de anderen die straks met een taak naar de aarde zouden terugkeren, omdat zij wisten wat de mensheid op aarde het nodigst moest bezitten. Aldoende kwam dus het ene uit het andere voort. Miljoenen wezens waren er nu op aarde die de mensheid aanspoorden om het goede te zoeken. In de sferen ging de mens ook verder en zo zien wij de vijfde, zesde en zevende sfeer tot stand komen. In de zevende sfeer is het bezit van de mens reeds in een goudachtig licht veranderd. In die sfeer zien wij nu het evenbeeld van het gouden Goddelijke licht, en dat licht had de mens zich eigen te maken. Dit geestelijke en goddelijke licht zou worden zoals wij in het begin van de schepping, in het openbaringsproces, hebben mogen waarnemen. Dat zou de mens zich eigen moeten maken en ook dat geschiedde. (...) 

Hoe ontzaglijk was het licht uit de zevende hemel, want na de vierde sfeer zijn de sferen geestelijke hemelen. Hoe groot was reeds het geluk van de mens die daar leefde, en toch, nog vier kosmische afstemmingen hadden de mensen zich eigen te maken, wilden zij de Goddelijke Sferen binnengaan. De mensen die in de zevende sfeer waren aangekomen en daar hun taak hadden volbracht, maakten zich nu gereed om van hun zusters en broeders afscheid te nemen. Zij die daar een taak hadden verricht, droegen die taak aan anderen op. De mentors gingen hoger en met hen miljoenen anderen. Een andere planeet, een ander zonnestelsel wachtte hen op. (...) 

Dit betekende voor hen het einde van de derde kosmische graad en zij zouden door de vierde worden aangetrokken. Nu wachtte hen groot geluk en dat geluk zouden zij in een stoffelijke toestand bezitten. 
Het Ontstaan van het Heelal p. 277-278 
De eerste zielen werden nu aangetrokken door een nieuwe planeet in wording. Hier beleefden ze hun eerste, nu weer stoffelijke leven op de vierde kosmische levensgraad. 

Kijk, André, het wordt iets lichter. Alles is daar ook anders. Men heeft daar een andere dampkring, omdat het stoffelijke organisme anders is dan het aardse stofkleed. Het aardse organisme is grof in vergelijking met dat van hen. De mens op aarde is een scheppingswonder, maar daar is de mens doorschijnend en is hij als een geestelijk wezen uit de vierde sfeer aan deze zijde. Je weet hoe zij daar stralen, doch dat is hun geesteskleed, maar op deze planeet is het stofkleed als de innerlijke uitstraling van de vierde sfeer. Denk je dat nu eens in. In een kleed te mogen leven en in een leven te zijn waar geluk, liefde en reinheid is en alles je toelacht. Waar mensen zijn zoals wij de meesters van de zevende sfeer kennen. De meesters uit de zevende hemel en allen die met hen daar leven, komen op de laagste stoffelijke graad aan en beginnen dan aan hun eerste leven. 
Het Ontstaan van het Heelal p. 492 
‘Mijn God’, riep André uit, ‘hoe kan het.’ Daar voor hem zag hij als het ware de aarde. Het uitspansel had een heldere lichtblauwe tint aanvaard en die kleur was als men in de vierde sfeer kende. In de vierde sfeer zag men in het uitspansel een paarse gloed en ook hier was die gloed aanwezig. Hij zag een prachtig landschap, tempels en gebouwen, zodat hij dacht in de vierde sfeer, het Zomerland aan gene zijde, te zijn.‘Voel ik dit goed, Alcar?’‘Ik liet je dit voelen, André. De vierde kosmische graad in een stoffelijke toestand is als de vierde sfeer in ons leven. Je kent de schoonheid van ons Zomerland. Je weet hoe rein deze sfeer is. Je ziet in onze sfeer dat de bloemen licht uitstralen en in zekere zin is dat hier in een stoffelijke toestand. Dit is kosmisch geluk, dat is in een stoffelijk leven een sprookjesachtig geluk bezitten.Wij dalen tot dicht bij deze planeet en dan zien wij de mens van de vierde kosmischegraad. 
Het Ontstaan van het Heelal p. 497 
Vraag nu niet waarom en waarvoor, maar neem waar, straks zullen wij het daarover hebben. Nu moet je echter alles waarnemen, want ook de mensen op aarde moeten jouw beeld kunnen beleven, dat jij als uitgetreden mens hebt mogen zien. Zie, deze natuur, André, als in het Zomerland. Je kent de stilte en de rust van de vierde sfeer, maar deze mensen zijn nog dieper en bewuster, omdat al deze wezens in de zevende sfeer zijn geweest. Hun uiterlijk is echter zoals in het Zomerland, het straalt en is rein als geen mens der aarde bezit. Het aardse lichaam is mooi en krachtig, doch dit is een geheel andere constitutie en andere bouw, ook de innerlijke organen, kortom deze planeet bouwde een ander stoffelijk gewaad dan de planeet aarde. De atmosfeer is anders, de loop van de planeet verschilt met die van de aarde, alles is in een andere en voor de aarde onbekende toestand. Ook de bloemen en bomen zijn anders en het water is als kristal en het leven van de mens is zo rein en zuiver, als slechts de volmaakt geestelijke mens kan zijn. 
Het Ontstaan van het Heelal p. 499 
‘Heeft men hier bij de geboorte nog hulp nodig, Alcar?’‘Neen, André, zoals ik reeds zei, ligt in hen deze kracht, het stoffelijke organisme van deze planeet is als de natuur en is in nietsbezoedeld.’]/p] 
Het Ontstaan van het Heelal p. 509 
‘Hoe oud worden deze mensen, Alcar?’ ‘Dat varieert naarmate zij hoger komen. Vanaf de eerste overgangsplaneet [van de vierde kosmische levensgraad] gaat dit proces reeds beginnen. Daar worden de mensen reeds, volgens aardse berekening dan, honderdvijftig jaren oud en als de vierde graad bereikt is, worden zij nog ouder en passeren de twee eeuwen. Zo wordt de ouderdom van het stofkleed en van het innerlijke leven steeds hoger, omdat wij naar het Al gaan. Is je dit duidelijk, André?’‘Ja Alcar en zeer natuurlijk.’‘Dit moet wel zo zijn, mijn zoon en dit heeft tevens een kosmische betekenis. De hoogste ouderdom die op deze planeet bereikt wordt, overschrijdt de drie eeuwen, om dan te sterven. 
Het Ontstaan van het Heelal p. 514 
Nu konden ze een nieuw en hoger leven opbouwen, zonder slaap of nacht, omdat ze eeuwig wakker bleven. Nu kon een volledige bevolking van een planeet opgebouwd worden zonder oorlog, honger of ziekten. Deze zielen hadden drie kosmische levensgraden overwonnen, waardoor zij gegroeid waren in bewustzijn en universele liefde. 

In een stoffelijke toestand geluk en wel rein geluk te bezitten, dat kun je je bijna niet voorstellen, en toch heeft hier de mens dit geluk. Denk je dit geluk nu eens in, André, geen haat, geen jaloezie, geen bedrog, geen geweld, geen eigenliefde, geen hartstocht en geen oorlog, of enig ander geweld, niets, niets van al die hartstochten, al die onaangenaamheden die de mensen op aarde beleven. Hier is alleen rust en wel heilige rust en heeft men waarachtig lief. Toch zijn wij eerst op de vierde kosmische graad.' 
Het Ontstaan van het Heelal p. 501 
Zijn hier ook ziekten, Alcar?'Neen, André, er zijn hier geen ziekten, geen zenuwstoornissen of al die verschrikkelijkheden die men op aarde bezit, want de innerlijke mens leeft zijn natuurlijke leven en past zich aan die wetten aan en tracht zich nog hogere wetten eigen te maken. Deze planeet bezit dus één organisme, doch de innerlijke mens kan hoger gaan en daarin vinden wij zeven graden. Je ziet dus, André, dat het geheel anders is dan op aarde, want op aarde zien wij zeven stoffelijke graden. 
Het Ontstaan van het Heelal p. 502 
Nu konden ze incarnatie na incarnatie beleven in een paradijselijke harmonie, voor eeuwig verenigd met hun tweelingziel. 

Geen geest kan deze tweelingzielen scheiden, dat is en blijft één leven. (...) Voel je dit wonder, André?Zij worden dan aangetrokken en op de eerste overgang geboren en zien elkaar daar weer terug. Reeds als kinderen zien en herkennen zij elkander en spelen en groeien op en weten straks dat zij bij elkaar horen. Dat bewustzijn komt reeds in het tiende jaar tot rijpe ontplooiing, zodat zij weten dat zij voor eeuwig tezamen zijn. In hun innerlijke leven is dat aanwezig. Dan gaan zij verder en verder en volgen elkander. Eindelijk is deze planeet bereikt en vinden zij elkaar ook daar terug. Geen seconde te vroeg worden zij geboren, ook de ouders weten daarvan. Denk je dit maar eens in en vergelijk dan dit bewustzijn met dat van de mens op aarde. 
Het Ontstaan van het Heelal p. 506 
Je weet dat wij allen, als wij eenmaal zover zijn, onze tweelingziel ontvangen. Er zijn reeds mensen op aarde die dáár al hun eeuwige tweelingziel bezitten, doch de meesten die op aarde leven (...) ontvangen aan deze zijde hun tweelingziel, en die band is eeuwig.Maar dat is eerst mogelijk wanneer zij zichzelf en het leven van hun eigen ziel en al het andere leven liefhebben en begrijpen. Dan ontvangen zielen, dus mensen, het hoogste geluk dat ooit een mens kan ontvangen en dit is de tweelingliefde. Het geluk dat dan in je komt en je als bezit draagt, is onbeschrijfelijk. Dan denk je dat het universum in je ligt (...)In je diepe innerlijk ligt een heilige brand, het Goddelijke vuur waarvan en waardoor hemel en aarde werd geboren. Al dat machtige leven krijgt een plaats in je eigen hart, en zij of hij die bij je hoort, voelt zoals je zelf voelt, heeft lief zoals je zelf liefhebt, draagt zoals je dragen zult, buigen dus hun hoofd voor al die reine gaven. Geen zucht, geen onbegrijpen, geen hard woord, geen disharmonische klank zal die rust verstoren. Het is niet mogelijk, want beide wezens zijn één, één in hun beider leven. 
Het Ontstaan van het Heelal p. 504-506 
En dan kan een ziel die op dat moment op de vierde kosmische levensgraad woont tegen André zeggen: 

Wij hebben onze kringloop der aarde volbracht, wij leefden tijdens de prehistorische tijden van Moeder Aarde, doch gingen verder en kregen universele éénheid. Waarlijk, wij vertegenwoordigen Zijn weg, Zijn waarheid én het Leven! 
De Kosmologie van Jozef Rulof deel 1 p. 274 
De ziel als mens heeft nu het bewustzijn van al haar vorige levens. 
De Kosmologie van Jozef Rulof deel 4 p. 251