De ontdekking van de mens
Om André de eerste menselijk-lichamelijke graad op aarde duidelijk te maken, neemt meester Alcar hem in uitgetreden toestand mee naar een groep mensen in het dichte oerwoud. Alcar hoeft zich nu niet meer in te stellen op het verleden, op de eerste zielen. André kan nu in zijn eigen tijd, 1939, blijven want in deze tijd zijn er nog zielen op aarde van wie het lichaam tot de eerste stoffelijke graad van lichamelijke ontwikkeling behoort. Voor André was het een openbaring deze mensen daar te zien lopen en leven, want in 1939 wist de westerse mens nog maar weinig van deze stammen af. Men was nog maar net begonnen de vleugels uit te slaan en de aarde te bereizen. Er waren toen nog veel stammen in het oerwoud die nog nooit een blanke hadden ontmoet en bij het eerste contact deze wezens als 'van een andere planeet' beschouwden. Voor de blanken werd het duidelijk dat ze hier hun hachje waagden, want deze oerwoudbewoners aten nog mensenvlees!
Zo hoorde Jozef Rulof over de radio een verslag uit de toenmalige Nederlandse koloniën. Op 10 april 1952 bracht hij dit op een avond ter sprake:
Wij zijn zo gek op Nieuw Guinea, maar als onze ambtenaren een beetje diep het oerwoud ingaan, gaan ze de pot in. Wij willen gaarne Nieuw Guinea bewustzijn geven. Daar zijn al mensen die een doctorstitel hebben en die daar... Ik heb ze voor de radio gehoord. Ik denk: Nu moet je die mensen toch eens horen, dat zijn allemaal zomaar geen Papoea's meer. Maar hij zegt het zelf, meneer: 'Als we even over die bergen komen, gaan we de pot in.' Daar doen ze nog aan schedelmeppen, eraf halen eventjes, dan komen we met zo'n grote haardos van een Hagenaar aan de jas en dan zeggen: 'Ik heb er weer een.' Dat gebeurt daar nog.
In de eerste helft van de vorige eeuw beschouwden vele blanke westerlingen deze Papoea's niet als mensen, maar als dierlijke wezens. Jozef niet. Jozef voelde dat ieder mens gelijkwaardig is, ongeacht zijn lichaam, levenswijze of bewustzijn. Hij wist immers dat elke ziel uit dezelfde bron geboren was, ook al was dat niet op hetzelfde tijdstip gebeurd. In 'Het Ontstaan van het Heelal' vroeg hij Alcar of de aardse geleerden de oorzaak van het verschil in bewustzijn tussen de menseneters en de 'geciviliseerde' mens al doorgrond hadden? Vraag en Antwoord deel 3 p. 138-139
Weet men daarvan op aarde af?' 'Neen, niets, maar wel weten zij dat er verschillende mensenrassen zijn, doch de betekenis van al die mensenrassen kennen zij niet. Want waarom heeft de ene mens de hoogste graad bereikt en leeft de andere in het oerwoud en vergrijpt zich aan het leven van anderen?
Meester Alcar maakte hem duidelijk dat ook op aarde het lichaam van de ziel evolueert van een eerste graad van stoffelijke ontwikkeling naar een zevende stoffelijke graad. Alcar gebruikte in bovenstaand citaat de term 'rassen' om zich duidelijk uit te drukken voor de lezer uit de tijd dat dit boek haar eerste druk beleefde, september 1939. De meesters geven echter aan dat het lichamelijke onderscheid tussen mensen op basis van 'rassen' geen betekenis heeft: Het Ontstaan van het Heelal p. 173
Zwart, bruin en blank hebben geen betekenis, deze zeven levensgraden zijn het!
In 1939 verbonden veel mensen aan ras en huidskleur nog vaak een waardeoordeel. Maar Alcar legde reeds in die tijd uit dat de verklaring van het verschil in lichaam ergens anders gezocht moest worden. Hij sprak over zeven levensgraden. Hiermee bedoelde hij de zeven opeenvolgende graden van stoffelijke lichamelijke ontwikkeling die de ziel beleeft. De Kosmologie van Jozef Rulof deel 4 p. 230