De menselijke evolutie op aarde
En dan kan de aardse levenscyclus beginnen. Hier kan de ziel haar ingeboren blauwdruk om het menselijk lichaam op te bouwen ten volle realiseren. Natuurlijk niet in één jaar, maar in biljoenen tijdperken. Ook op aarde moeten de eerste zielen het menselijk-stoffelijke lichaam opbouwen, van enkelvoudige cel tot homo sapiens. Maar niets kan de ziel tegenhouden. Deze Albron in ons is immers gemaakt uit dezelfde energie als de eerste planeet, zelfs als de eerste ijle nevelslierten, met precies dezelfde karakteristieken: de drang om te groeien, te verdichten, te verruimen, te evolueren, zowel stoffelijk als geestelijk. Het is dezelfde levenskracht die de dieren en de natuur inspireert tot groei, die sterren en planeten creëert, en al het leven verbindt in haar diepste kern. De meesters noemen het 'Wayti'. Door de warmte van de zon in ons huidige zonnestelsel konden de eerste zielen op Moeder Aarde hun lichaam weer meer verdichten dan op de vorige planeten. De eerste zielen moesten op aarde het stoffelijk lichaam opbouwen van cel tot het volwassen menselijk lichaam. Zij beleven dus eerst het cellenleven in de wateren, later het visstadium, het eerste landelijke bestaan, om ten slotte de menselijke gestalte te kunnen opbouwen. Dit alles duurde biljoenen tijdperken. Latere zielen, zoals de middengroep waartoe wij behoren, hoefden dit niet meer te doen, omdat de menselijke lichaamsvorm al is opgebouwd door de eerdere zielen. Toen wij als ziel de aarde bereikten om hier onze kosmische evolutie voort te zetten, was er dus al een lichaam beschikbaar dat de menselijke vorm had bereikt. Wij konden dus meteen ons eerste aardse leven in een menselijk embryo incarneren bij ouders die het volwassen menselijke lichaam van de eerste menselijk-stoffelijke graad bereikt hadden. Ook de zielen die nu nog van de overgangsplaneten aankomen en hun eerste leven op aarde gaan beleven, kunnen onmiddellijk incarneren in een menselijk embryo bij ouders van wie het volwassen lichaam behoort tot de eerste menselijk-stoffelijke graad
In zekere zin bouwt iedereen bij elke incarnatie het lichaam op van bevruchte eicel in de moederschoot tot volwassen gestalte. Dit bouwproces is in alle tijden op dezelfde manier gebeurd. Alleen, wij kunnen dit door de erfelijke bagage en het lichaam van onze huidige ouders in ongeveer twintig jaar volbrengen. De eerste zielen moesten hier biljoenen tijdperken aan werken, leven na leven na leven... Toen de meesters terugkeken naar de tijd dat de aarde zich begon te verdichten, zagen ze dat de eerste zielen daar op dat moment aan hun eerste cellevens begonnen. Maar hoe heeft de ziel haar lichaam kunnen opbouwen temidden van alle evolutionaire stadia van Moeder Aarde? Hoe heeft ze in haar stoffelijke levens de verhittings- en afkoelingsperioden, de vulkaanuitbarstingen en ijstijden overleefd?
Dat wij als mens, en het dier, de ijstijdperken en al die verhittingstijdperken en afkoelingsjaren overwonnen hebben, is nu nog géén levenswijsheid voor de geleerde van Moeder Aarde. De geleerde zegt nú nog dat er wellicht een 'Tweede Schepping' is geboren. Een tweede schepping, dat te betekenen heeft, dat wij als mens die eerste stadia niet hebben beleefd en ook niet mogelijk was, omdat géén mens, noch dier, die tijdperken heeft kunnen beleven. Doch kijk zélf, mijn broeders. Wat doet de mens en het dier? Wij zien thans dat dier en mens zich verplaatsen. Nu reeds bouwt Oost en Zuid, Noord en West aan de eigen bewustwording. Wanneer de Aarde hier aan verhitting begint en die tijdperken heeft het eerste leven moeten aanvaarden, ging het leven verder, rustigjes verder, niets kon dit leven storen, want niet héél deze planeet stond in brand. Daardoor zijn zich Noord, West, Zuid en Oost gaan verdichten, en wil zeggen, de jaargetijden komen nu reeds tot bewustwording en hebben wij, hadden wij en ál het andere leven te beleven en te aanvaarden. Wij gingen dus uit deze omgeving, wij voelden dat wij konden vertrekken omdat gans deze ruimte ons leven en bewustzijn toebehoort! Waarom bezit de Aarde niet in élk land haar vuurspuwende bergen? Dat is te begrijpen. Het zijn haar ademhalingsorganen, die van tijd tot tijd ruimtelijk de innerlijke werking tot de verstoffelijking voeren, doch waardoor wij haar innerlijke werking aanschouwen. De mens, en het dier, ging verder, niets heeft de mens kunnen vernietigen. Néén, wij moeten aanvaarden dat mens en dier duizendmaal rond de Aarde zijn gewandeld, heengingen voor die warmte en die afkoeling, om ons stoffelijk leven te kunnen voortzetten. Er is dus géén tweede schepping geboren, geleerde, want dat ís niet mogelijk!]/p] En ook daarvoor beleefde de Aarde haar zeven tijdperken. Elke afkoeling, iedere cel heeft die zeven overgangen te beleven, ook voor de afkoelings- en verhittingstijdperken, én later voor de verdichtings- en verhardingsuren die Moeder Aarde en wíjzélf te beleven kregen. In het Oosten was er verhitting, dat groei en bloei betekent, te beleven, doch wij trokken, en met ons al het landelijke leven, tot het Westen en het Zuiden, het Noorden, ónherroepelijk, óm onszélf te beschermen, omdat wij ons stoffelijke leven zouden afmaken.]/p]
De ziel is één met Moeder Aarde en voelt hoe ze haar levensweg moet bewandelen. Als meester Alcar aan André een beeld toont uit die tijd, is André heel verbaasd: De Kosmologie van Jozef Rulof deel 4 p. 214-215
André schrok hevig. Wat hij nu zag had hij reeds waargenomen. Hij zag mens en dier zoals op de tweede planeet. De mens en het dier hadden hun stoffelijke toestand aanvaard. Groot en krachtig waren zij. Waren dit de eerste mensen die op aarde hadden geleefd, en die dieren de voorhistorische diersoorten die thans niet meer op aarde leefden?(...) Wild en woest was het beeld dat hij zag. Ontzaglijk groot waren de dieren die hier leefden, toch weer niet zo groot als op de tweede planeet, en de mens was behaard en sterk, hoewel dit een ander kleed was dan zij daar droegen. Dit lichaam was reeds fijner en volmaakter, (...)Wij bevinden ons thans in het eerste stadium van de aarde en dit is het eerste tijdperk, waarvan, zoals ik reeds zei, men niets meer weet. Maar je hebt nu gezien dat alles één weg volgt. Niet ineens kwam alles tot stand, het ene werd uit het andere geboren.
Wanneer de aarde tot rust is gekomen kunnen de eerste zielen de menselijke gestalte gaan verfijnen. Stap voor stap evolueert het lichaam tot de eerste echt menselijke lichaamsbouw, die de meesters de eerste stoffelijke graad noemen. De ziel als mens leeft in het lichaam van deze eerste graad in het dichte oerwoud. Dat eerste menselijke lichaam is nog maar de eerste stap op weg naar de zevende stoffelijke graad waar de ziel zich naar toe werkt. Voordat de ziel de aarde kon betreden heeft zij zes overgangsstadia moeten beleven op verschillende planeten van de derde kosmische levensgraad. Op dezelfde wijze moet zij nu zes overgangsstadia als lichamen opbouwen op weg naar de zevende graad. Het Ontstaan van het Heelal p. 179-180