De mens als schepper van licht

Verrukt over deze warmte gingen zij de aardse mens nog meer helpen, en ze gaven hem door inspiratie nuttige werktuigen die het leven veraangenaamden en de weerbaarheid verhoogden. 

De innerlijke gevoelswarmte was het eerste resultaat van hun harmonisch handelen. Door de mens op aarde te helpen, kon hun 'Albron' beter stromen, en een hogere graad van gevoel ontwikkelen. Hierdoor kreeg het gevoelsleven van de eerste zielen meer licht en warmte, en begonnen zij als geest dat licht ook uit te stralen. Net zoals de eerste kosmische nevelen lichtend werden, straalde ook hun geestelijke gewaad licht uit als vertolking van hun verhoogd bewustzijn en liefde. 

Nadat ze de mens op aarde duizenden tijdperken lang geholpen hadden, kreeg ook die geestelijke uitstraling verdichting en zelfstandigheid, en zo kwam de eerste astrale lichtsfeer tot stand. 

Door iedere goede daad dus, die de mens op aarde en in de sferen deed, veranderde zijn innerlijke leven, de omgeving en zijn eigen bezit. In hem kwam licht, in hem ontwaakte de geestelijke mens. Daaraan werkten zij voort. Zo groeide dit licht, en in en om zich namen zij dit waar. De innerlijke mens ging licht uitstralen, ging ontwaken en ging liefde voelen voor al het leven. Hoe meer goede daden zij deden, des te sterker werd dit licht en omstraalde het hun omgeving. Het heerlijke gevoel om voor anderen iets te kunnen doen stemde hen gelukkig. (...) 

De mens keerde naar het gouden licht terug, maakte zich dat gouden licht eigen, wat wij in de Tempel der Ziel hebben waargenomen. Je voelt en je ziet, André, uit dat gouden licht zijn wij gekomen en zouden daarin terugkeren. Dat licht zouden wij ons eigen moeten maken (...) 

Zij, deze mensen die in die duisternis hadden geleefd, zagen nu door hun eigen licht hoever de aarde was gevorderd. In al die miljoenen jaren waren zij geestelijk blind, nu begrepen zij het stervensproces en het geboren worden op aarde en duizenden wetten in het leven van de geest. Zij die reeds zover waren gekomen, onderwezen hen die deze hoogte nog niet hadden bereikt. Zij behoorden reeds tot de geestelijke zusters en broeders van de sferen. (...) 

De geestelijke wereld werd echter geboren. Rondom hen kwam gewas, de geestelijke sferen gingen zich verdichten, want ook de sferen moesten eenzelfde weg volgen, zoals alles de natuurlijke groei had beleefd. 

Alweer zien wij duidelijk, André, dat het een zich door het ander openbaarde en alles in de gehele schepping één weg te volgen had en dat daarin geen verandering is gekomen, ook nu niet, nu de mens bewust is. En wanneer ik nu weer enige eeuwen verder ga, dan zien wij dat de eerste sfeer tot stand is gekomen. Je weet, deze sfeer is het evenbeeld van de aarde. Hier aan onze zijde werd deze wereld uit de innerlijke mens geboren en dit werd, zoals je reeds weet, het hiernamaals. 

Nu ga ik opnieuw enige eeuwen verder. 

Wat wij nu zien is wonderbaarlijk. De eerste sfeer kwam tot stand en ging reeds in een andere toestand over, die de tweede sfeer zou worden. In het leven na de dood bezat eenieder die deze hoogte had bereikt een geestelijke woning en naarmate zij vorderingen maakten, zagen zij dat het uiterlijk in gelijke tred ook verder ging zich te verfraaien. Niet alleen dus hun eigen geestelijke organisme, doch tevens alles wat om hen leefde werd schoner en reiner. In alles kwam leven en zo leerden zij de geestelijke wetten kennen. Zij volgden de ontwikkeling van de natuur en leerden daardoor. Nu ontwaakte het kunstgevoel en bouwde men tempels en gebouwen. Deze hoog afgestemde wezens, die in de geest bewust waren geworden, werden zich tevens bewust van de hogere krachten in de mens en de ene kunst na de andere werd geboren. (...) 

Miljoenen wezens, allen van de aarde, die daar hun stoffelijk kleed hadden afgelegd, hielpen mee en bouwden voor zich een eigen woning en eigen sfeer doordat zij voor anderen iets deden. 

Ik zal je thans, voordat ik verder ga, een ander wonder vertellen. Zij die in de sferen van licht waren en zich gereedmaakten om hun zusters en broeders die zouden komen, te kunnen ontvangen, beleefden een wonderbaarlijk iets. In de sferen was er iets, dat voelden zij duidelijk, dat niet volmaakt was. In hun volle concentratie letten zij daar niet zo op, doch toen het sferenbeeld veranderde, de mensen ook daar een taak te volbrengen hadden, al waren de meesten van hen in de sfeer der aarde werkzaam, zagen zij een zeer schoon tafereel, een wonder van God. 

Vanaf het begin van de schepping bleven de dieren het begaafde kosmische en goddelijke wezen volgen, waren beide wezens steeds bijeen. Zij, die dit beleefden, vielen neer en schreiden van ontroering. Rondom hen, mijn zoon, waren vogels en zij zongen hun lied van blijdschap en geluk. Het dier had zijn duizenden stadia afgelegd en had, evenals de mens, de geestelijke sferen bereikt. Hoe ontzaglijk was dit beeld! Hoe groot de genade voor mens en dier, want beiden waren zover gekomen. Het dier kende geen haat meer, had al die organismen beleefd en de hoogste diersoort had de geestelijke afstemming bereikt. Zij daalden neer en zetten zich op de handen van hun hogere zusters en broeders. Mijn God, welk een geluk, wat een wonder en genade! (...) 

De mens die eenmaal zover was gekomen, bleef doorgaan te dienen en door te dienen veranderden de sferen en hun eigen verkregen geestelijk bezit. Na de eerste kwam de tweede sfeer tot stand en in die sferen groeiden en bloeiden bomen en bloemen, maar hoe hoger de mensen kwamen, des te schoner werden de sferen en alles wat in en om hen leefde. Het innerlijke licht dat de mens zich had eigen gemaakt overstraalde anderen, de geestelijke woningen straalden het innerlijke bezit van de mens uit en tempels en gebouwen kwamen tot stand. Velen brachten hun kennis en geluk op aarde en daar kwam de ene uitvinding na de andere tot stand. Het leven op aarde had een aanvang genomen en de intellecte wereld ontwaakte. Doch wij volgen de geestelijke mens en zo zien wij hoe sfeer na sfeer werd geboren en veroverd. Miljoenen, zoals ik reeds zei, bouwden daaraan mee, allen droegen bij aan hun eigen bezit en dit bezit werden de bestaanstoestanden, sferen dus, die eenieder toebehoorden. 

Langzaamaan zien wij sfeer na sfeer tot stand komen. Steeds verder ging de mens, steeds hoger en mooier werd het sferenbeeld. De ene sfeer ontstond door de andere en ook in het leven van de geest kwam dus het ene uit het andere voort. 

Het universum zien wij nu ook veranderen, in wezen dan het heelal van de geest. Was de geestelijke hemel in de eerste sfeer zoals op de aarde, de tweede sfeer was de eerste ver vooruit en de derde sfeer was alweer schoner, doch de vierde kon men niet vergelijken met de eerste drie sferen, zo schoon en verheven was deze. 
Het Ontstaan van het Heelal p. 274-277 
Wanneer in de huidige tijd een ziel aan het einde van haar karmalevens is gekomen en de aardse levenscyclus verlaat, reist ook zij naar de astrale sfeer die ze zelf zonder het te weten mee heeft opgebouwd. Ze gaat dan over naar de sfeer waarop ze op dat moment innerlijk afstemming heeft. Voor een aantal zielen betekent dit, dat ze ook nog in deze tijd naar het land van haat, hartstocht en geweld gaan, omdat ze innerlijk nog steeds een dierlijke graad van gevoelsleven hebben. Andere zielen hebben zich hiervan tijdens hun aardse levens al losgemaakt. Zij kunnen na hun aardse levenscyclus het geluk en de warmte van de sferen van licht binnentreden, omdat zij op aarde reeds het leven lief kregen.