De geestelijk-wetenschappelijke universiteit

De eerste zielen bouwden lichtsfeer na lichtsfeer op door de astrale uitstraling van hun geestelijk handelen. In de vierde sfeer begonnen deze zielen als geestelijke persoonlijkheden pas echt aan een geestelijk-wetenschappelijk onderzoek. Ze wilden meer te weten komen over zichzelf. Wat is eigenlijk een ziel, een geest, een mens? Ze volgen de mens op aarde om de wetten die het leven bepalen te doorgronden. Ze waren verbaasd te zien dat vele mensen die stierven helemaal niet naar het hiernamaals overgingen. Ze zagen dat de geestelijke gestalte van deze mensen oploste bij het overgaan, en dat hun ziel zich terugtrok in de wereld van het onbewuste. Ze volgden die zielen in die stille wereld, omdat ze wilden weten waar die zielen naar toe zouden gaan. Sommige onderzoekers moesten honderden jaren wachten voordat de ziel die ze volgden weer in een nieuw lichaam reďncarneerde. Maar uiteindelijk zagen ze allemaal hetzelfde gebeuren: de ziel werd aangetrokken door twee aardse mensen, en daalde in in het eicelletje van de moeder op het moment van bevruchting. 

Telkens opnieuw volgden de eerste onderzoekers andere zielen, omdat ze wilden weten of deze reďncarnatie een wet was die voor iedereen gold. 

Door het volgen van duizenden zielen in hun aardse kringloop kwamen ze op het spoor van de wet van oorzaak en gevolg. Eén van de eerste onderzoekers verwoordde later deze wet als: 'Wat ge zaait zult ge oogsten.' 

Na duizenden jaren van onderzoek kwamen de eerste zielen opnieuw samen, en legden hun bevindingen bijeen. Ze wilden meer te weten komen over die wonderlijke wet van de reďncarnatie. Ze wilden weten waar alles begonnen was, waar de ziel haar eerste leven beleefd had. Ze stelden zich in op hun eigen verleden. Groot was hun verbazing toen ze merkten dat ze van de aarde wegzweefden. Hadden ze zich verkeerd ingesteld? Nogmaals concentreerden ze zich, dachten ze alleen nog maar aan het verleden van de ziel. En opnieuw zweefden ze van de aarde weg, de ruimte in. 

Na enige tijd bereikten ze de eerste kosmische levensgraad. Daar waren ze getuige van de laatste zielen die op dat moment de eerste moederplaneet verlieten. De onderzoekers voelden zich aangetrokken tot deze zeeleeuwachtige organismen, en ze voelden dat hier ook hun eigen verleden lag. Ook zij hadden hier eens geleefd en op deze manier dit organisme achtergelaten om op volgende planeten verder te groeien. 

De onderzoekers begrepen nu waarom zij reeds de sferen van licht hadden bereikt, en andere mensen nog in het oerwoud rondliepen. Zijzelf waren eerder geboren op de eerste planeet! Niet alle zielen werden daar op hetzelfde moment geboren, dit geboren-worden vond plaats in 'golven'. 

Waarom bent u verder dan het andere leven? Omdat u eerder geboren werd. Wellicht een tiende of miljoenste seconde (...). Nu gij op Aarde zijt, zijn die seconden door levens veranderd. Gij zijt die levens enige levens voor. Meer is er niet. Met u bevinden er zich miljoenen mensen in één graad. Dat is uw levensgraad als eigen menselijke zelfstandigheid! Dat is tevens uw afstemming voor deze maatschappij! Waarom kunt gij studeren en kan het andere leven dat niet? Dat leven is nog niet zover! Maar dat leven kómt zover! Dat leven zól uw hoogte moeten bereiken (...) 
Maskers en Mensen p. 895-896 
Ze begrepen dat de zielen die op dat moment de eerste kosmische levensgraad verlieten pas over miljoenen tijdperken aan hun aardse evolutie zouden beginnen. Want het gevoelsleven van deze zielen kon nog niet onmiddellijk in een menselijk lichaam van de eerste stoffelijke graad op aarde incarneren, die overgang van het gevoelsleven van de ziel in dit zeeleeuwachtige organisme naar het gevoelsleven van de aardse oerwoudbewoner vereiste nog vele tussenstapjes. 

Die tussenstapjes waren het volgende punt van onderzoek. De onderzoekers volgden de zielen die op dat moment de eerste moederplaneet verlieten. Ze volgden hen naar de eerste overgangsplaneet van de tweede kosmische levensgraad. Zo bezochten de onderzoekers planeet na planeet, waardoor ze hun eigen kosmische levensweg leerden kennen. Na de overgangsplaneten kwamen ze uiteindelijk op Mars aan en volgden het leven op deze moederplaneet. Daarna volgden ze de overgangsplaneten van de derde kosmische levensgraad, en kwamen ten slotte aan op de Aarde, de moederplaneet en eindstadium van de derde kosmische levensgraad. Ze voelden dat deze drie kosmische levensgraden in hetzelfde heelal lagen, en eigenlijk één ontwakingsruimte betekenden. Hun leven was ontwaakt, zij waren zich nu bewust geworden van hun eeuwige voortgang. Eigenlijk begonnen ze nu pas echt te leven. 

Op dat moment begrepen ze waar de ziel vandaan komt die in het oerwoud aan haar eerste aardse leven begint. Ze begrepen tevens dat die eerste stoffelijke graad op aarde nog zolang zou blijven bestaan, totdat de laatste ziel van de overgangsplaneten van de derde kosmische levensgraad op aarde is aangekomen, en naar een lichaam van de tweede stoffelijke graad op aarde is overgegaan. 

Alcar legt uit aan André dat op deze manier ook de prehistorische diersoorten uitgestorven zijn, toen hun ziel in een verder geëvolueerd dierlijk lichaam overging: 

Een voordierlijk monster heeft dus die lange stoffelijke en geestelijke weg afgelegd en ging in een hogere soort over, om zoals wij tot God terug te keren.' 

'En dit is voor mens en dier, Alcar?' 

(...) 'Zeer goed, André, ook die menselijke graden, zoals ik al zei, zullen en moeten oplossen. Het verheugt mij dat je dit alles hebt begrepen. Er zullen wel rassen aanwezig zijn, maar de eerste zes graden zullen in de zevende graad oplossen, omdat de ziel dit beleven moet.' 
Het Ontstaan van het Heelal p. 187 
De eerste menselijk-stoffelijke graden zullen dus nog lang nodig zijn om de zielen die naar de aarde komen op te vangen. Toch kunnen ook deze stammen in hun eigen stoffelijke graad innerlijk evolueren. 

Gij ziet, deze mensen voelen zich nog dierlijk bewust. Doch dat heeft voor de eigenlijke levensgraad niets te betekenen, de volgende, de tweede graad voor het menselijke organisme, schenkt de ziel meer verruiming, hogere bewustwording. De eerste drie levensgraden leven hier als stammen. Elke graad zorgt voor afscheiding. De eerste graden kent men niet eens, zo diep leeft die levensgraad in het oerwoud, doch straks, wanneer de geleerde zijn onderzoekingen voortzet, treden ook die naar voren. Alléén de laatste jaren, mijn broeder André, heeft de geleerde zich opengesteld voor de vele rassoorten op Aarde, ik bedoel, dat men alles tracht te doen om deze mensen te leren kennen. Het spreekt vanzelf dat deze eerste drie levensgraden eerst nú, voor het huidige stadium, belangstelling genieten, zodat ook het oerwoudkind evolueert. Dus niet alleen lichamelijk, doch bovendien geestelijk. Voor honderd jaar terug werd de blanke geslacht en opgegeten, ook nu nog, indien hij in handen valt van de eerste levensgraad, doch het huidige bewustzijn voor al deze oerwoudstadia gaat vooruit, ál de levensgraden van Moeder Aarde krijgen contact en zullen elkaar dienen. Wat thans mogelijk is, u kent dat, de geleerden trachten het oerwoudkind te steunen, was voor slechts honderd jaar terug niet mogelijk, omdat het blanke ras afgemaakt werd. Aan die ontwikkeling zien wij dat het kind van het oerwoud ontwaakt, doch door de hogere levensgraden. 

De Kosmologie van Jozef Rulof deel 4 p. 227-228 
Het bovenstaande citaat komt uit het vierde deel van 'De Kosmologie van Jozef Rulof'. Deze boeken werden geschreven tijdens de Tweede Wereldoorlog. De meesters voorzagen dat na deze oorlog de mensen met een lichaam uit de verschillende stoffelijke graden meer contact met elkaar zouden krijgen, waardoor het verschil in geestelijk bewustzijn van die zielen zou verminderen. 'Al de levensgraden van Moeder Aarde krijgen contact en zullen elkaar dienen'. Dit is reeds een teken dat de mensheid als geheel evolueert en naar een hogere bewustwording op weg is. Een bewustzijn waarin geen plaats meer is voor overheersing van andere volkeren. 

In het boek 'De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien' beschrijven de meesters hoe zij zelf de mens op aarde inspireren om dit contact te maken en uit te bouwen, om de wereld aan een te smeden, zodat er geen enkel volk op aarde nog 'achterblijft' bij de evolutie van de mensheid. 'Onbekend maakt onbemind'. Het echt leren kennen van elkaar maakt immers de weg vrij voor het afbreken van vijandbeelden, en geeft de basis voor een duurzame vrede. Zo stuwen de meesters de mensheid vooruit om het dierlijke oorlogszuchtige gevoelsleven van haat en geweld achter zich te laten en een universele verstandhouding en respect op te bouwen. Om uiteindelijk het gevoel 'mens' op te bouwen, ongeacht alle verschillen die de aardse persoonlijkheden bedenken, en waarmee ze zich van hun medezielen kunnen afscheiden: 

En er is slechts één ras op aarde en dat is de mens. 
De Kosmologie van Jozef Rulof deel 1 p. 255 
Toen de eerste geestelijk-wetenschappelijk onderzoekers hun vorsende blik opnieuw naar de planeet van de eerste kosmische levensgraad richtten, aanschouwden ze een ander wonder. De laatste ziel had het zeeleeuwachtige organisme verlaten en was vertrokken van de eerste moederplaneet, zodat de taak van deze kosmische moeder was afgelopen. Haar leven liep ten einde, zij kon nu aan haar stervensproces beginnen. Toen zij langzaam haar levenskracht begon terug te trekken uit dit macrokosmische lichaam, loste enkele lagen van haar atmosfeer op, en... verdroogde haar oppervlakte. Net zoals het menselijk lichaam verdroogt wanneer de ziel zich terugtrekt, verhardde ook dit planetair lichaam tot de toestand waarin wij haar vandaag de dag kunnen bewonderen aan een nachtelijke hemel. 

Zelfs in onze huidige tijd voelen mensen zich verbonden met dit hemellichaam, niet wetende dat ze daar hun kosmische levensweg begonnen zijn. Ze zien dan ook alleen een stervende planeet, en kunnen met hun stoffelijke ogen haar machtig verleden niet peilen. Zelfs al vermoeden sommige aardse geleerden dat er ooit water heeft gestroomd over haar oppervlakte, waarin mogelijk leven was. 

Op aarde vonden de geestelijke onderzoekers die hele kosmische evolutieweg terug in de geboorte van een kind. Ze zagen dat de menselijke moeder elke maand een eicel afsplitst, net zoals de eerste planeet dat in het groot deed als moederplaneet. Ook op aarde verbindt de reďncarnerende ziel zich bij het indalen met een klein celletje, net als op de eerste planeet. In de baarmoeder beleeft de ziel het waterlijk bewustzijn. Ook daar 'zwemt' zij in het vruchtwater, net zoals zij biljoenen tijdperken op de eerste planeet heeft gedaan. Zelfs de kieuwen worden in het huidige stadium nog even opgebouwd, en zijn het bewijs dat we eens in het water hebben geleefd. Door hun gedreven onderzoek vonden de eerste geestelijke vorsers elke stoffelijke overgang terug in die negen maanden van een zwangerschap. Zo getuigt ons staartbeen van ons kruipend leven op de tweede kosmische levensgraad. Waar de ziel destijds miljarden jaren aan gebouwd heeft, speelt ze nu klaar in negen maanden. Deze bevindingen waren de eerste fundamenten voor de Universiteit van Christus. 

De geestelijke onderzoekers begrepen dat heel de kosmische evolutie van lichaam en ziel gestoeld was op de reďncarnatie. Meester Alcar verwoordde het als volgt aan André: 

'Thans, nu men al die mensenrassen op aarde gaat kennen en onderzoeken, gaat men tot die studie over, doch de eigenlijke kern, de diepte van al dat leven en stoffelijk organisme leert men op aarde niet kennen, omdat zij het scheppingswonder vanaf het begin niet meer kunnen volgen. Dit zou nog wel mogelijk zijn, en daar kom ik steeds op terug, wanneer de geleerden een eeuwig voortgaan en de wedergeboorte zouden kunnen aanvaarden. Die wedergeboorte, en daar gaat het mij om, daarom heb je dit alles mogen beleven en heb ik je dat op deze reis aangetoond, is voor het stoffelijke en geestelijke kleed. Beide organismen zijn één, beide gaan in elkander over. Wat voor het stoffelijke lichaam mogelijk is, is tevens voor het geestelijke kleed mogelijk. Was in het eerste stadium het menselijke embryo niet bezield, kon dat leven niet in een ander kleed overgaan, dan reeds, ik heb je dat duidelijk gemaakt, waren wij niet op aarde gekomen en hadden wij tevens dat grootse wonder, de schepping, niet gekend. (...) 

Op verschillende wijzen heb ik je aangetoond dat dit zo moet zijn, anders waren wij geen wezens met een Goddelijke vonk en zouden wij nooit het universum kunnen binnengaan en als bezit aanvaarden. In alles, vanaf het eerste ogenblik, ligt de wedergeboorte. In honderden, neen, duizenden toestanden kan ik je dat aantonen. Wie op aarde is, is een incarnatie. De bomen, bloemen en het gehele dierenrijk zijn op andere toestanden, planeten dus, geweest. Hadden zij daar moeten blijven, dan waren zij zover niet gekomen. Als de eerste mens een voordierlijk dier is geweest en het miljoenen jaren duurde voordat het stoffelijk zover was, dan is het de ziel, het geesteslichaam dus, die dat beleefd moet hebben. 
Het Ontstaan van het Heelal p. 184