Aanvaarding
Nadat André in 'Het Ontstaan van het Heelal' het visioen van de aardse geleerde heeft ontvangen, laat Alcar hem uittreden om met hem het ontstaan van mens en kosmos te laten zien. Vreemd, dacht André, wie geeft mij dit visioen? Is het Alcar? Waarom zie en hoor ik dit gebeuren? Ook in hem kwam een stilte en hij voelde zich moe worden. De bekende verschijnselen ging hij nu voelen, zodat hij spoedig dáár zou zijn waar zijn leider was en van waaruit hij dit beeld had ontvangen. Hij voelde zich dieper wegzinken en wist niets meer. Daarna sloeg hij zijn ogen op en zag hij zijn leider Alcar.
‘O, mijn goede Alcar, weer ben ik bij u. Hebt u mij dit visioen gegeven?’ ‘Ja, André. Ik wilde dat je dit zou voelen en beleven. Een waarachtig beeld heb ik je getoond, het beeld van een mens die de aarde heeft verlaten en hier binnentrad. Hij was een geleerde en toch arm aan geestelijk bezit. Hij leefde op aarde en was een van mijn vrienden. Toch kon hij een eeuwig voortleven niet aanvaarden, ook niet toen hij hier binnentrad. (…) Hem zul je later leren kennen. Daarom liet ik je deze toestand op aarde beleven.
De geleerde was op aarde astronoom en had heel zijn leven gezocht naar de oorsprong van de ziel en het heelal, maar was daar in dat leven niet ver in doorgedrongen. Hij was een van de beste vrienden van Alcar tijdens zijn laatste aardse leven, maar ook Jozef Rulof heeft deze man zeer goed gekend, wat op het einde van het boek onthuld wordt. ‘O, mijn goede Alcar, weer ben ik bij u. Hebt u mij dit visioen gegeven?’ ‘Ja, André. Ik wilde dat je dit zou voelen en beleven. Een waarachtig beeld heb ik je getoond, het beeld van een mens die de aarde heeft verlaten en hier binnentrad. Hij was een geleerde en toch arm aan geestelijk bezit. Hij leefde op aarde en was een van mijn vrienden. Toch kon hij een eeuwig voortleven niet aanvaarden, ook niet toen hij hier binnentrad. (…) Hem zul je later leren kennen. Daarom liet ik je deze toestand op aarde beleven.
Het Ontstaan van het Heelal p. 17-18
Deze geleerde was mijn vriend op aarde. In het leven waarin ik kunstenaar was, leerde ik hem kennen. Ik ging eerder over dan hij, maar aan deze zijde werden wij met elkander verbonden. Ik was het, die hem van zijn aardse dood overtuigde. Toen de zusters en broeders dit niet konden bereiken, vroeg men hem of hij op aarde vrienden of kennissen bezat, die reeds waren overgegaan. 'Ja', zei hij, 'die heb ik' en toen noemde hij mijn naam. Men zei tegen hem: 'Wanneer wij u met hem verbinden, kunt u dan aanvaarden dat u dood bent?'
Maar hij is dood', zei hij, 'en ik leef immers?' 'Je voelt wel André, hoe moeilijk het was hem van zijn overgang te overtuigen en toch moest het. Spoedig werd ik tot hem gebracht. Ik wist van zijn overgang, doch wachtte tot men mij zou roepen. Toen viel hij snikkende neer en schreide hevig. Ik maakte hem duidelijk, dat dit de waarheid was. Je weet immers, zo zei ik, dat ik op aarde ben gestorven. Jij leeft, zoals ik en miljoenen anderen. Er is geen dood, mijn vriend, wij leven. Sta op, gij zijt beter.
Toen de geleerde zijn toestand aanvaard had vroeg hij Alcar hoe hij in dit nieuwe geestelijke leven vooruit kon komen. Maar hij is dood', zei hij, 'en ik leef immers?' 'Je voelt wel André, hoe moeilijk het was hem van zijn overgang te overtuigen en toch moest het. Spoedig werd ik tot hem gebracht. Ik wist van zijn overgang, doch wachtte tot men mij zou roepen. Toen viel hij snikkende neer en schreide hevig. Ik maakte hem duidelijk, dat dit de waarheid was. Je weet immers, zo zei ik, dat ik op aarde ben gestorven. Jij leeft, zoals ik en miljoenen anderen. Er is geen dood, mijn vriend, wij leven. Sta op, gij zijt beter.
Het Ontstaan van het Heelal p. 19
'Ach, jij bent zover van mij verwijderd en toch keerde je tot mij terug.' Hij vatte mijn beide handen en drukte ze hartelijk. 'Zeg mij, wat moet ik doen. Ik wil verder, kan hier niet blijven. Ik wil hoger en daar naar toe waar jij reeds bent. Wat raad je me aan te doen?' 'Leer jezelf kennen, vóór alles jezelf. Eerst dán is het aan deze zijde mogelijk, voor anderen iets te doen. Ga diep in jezelf na, hoe je leven op aarde was en hoe je thans bent. Ga alles steeds opnieuw na, waardoor je jezelf leert kennen. Dan leg je jezelf af, leg je dat af, wat je vergeten moet, om dit leven, waarin je thans bent, te aanvaarden. Voel goed wat verkeerd is en verban dit uit je leven. Leg alles af, wat je voortgaan belemmert. Zet je zelf onder controle en roep je een halt toe. Geen geest kan je echter daarbij helpen. Hoe je ook bidt, hoe je vraagt waarom en waarvoor, niemand kan het je duidelijk maken. Dit moet in je ontwaken, je moet wakker worden en dit leven geheel leren kennen. Wanneer je wenst, dat ik bij je zal blijven, gaan wij tezamen op reis en toon ik je wat mijn bezit is en vertel ik je, wat ik weet. Zijn er hogere toestanden en diepten die ik niet ken, dan vragen wij aan hen, die het weten en hoger zijn dan wij, ons te helpen. Gaarne is men hier bereid anderen tot steun te zijn. Ik heb dat reeds beleefd. In korte tijd heb ik mij dat eigen gemaakt en eerst veel later zal je dat duidelijk zijn.' Daarna namen wij voor een tijd afscheid en ik zou tot hem terugkeren, wanneer hij mij tot zich riep. Je weet hoe dat geschiedt. Ik volgde mijn studie waaraan ik begonnen was en leerde het menselijke organisme op aarde kennen en begrijpen. Daarna ging ik mij voor de studie van het heelal, voor de kosmologie bekwamen.
Het Ontstaan van het Heelal p. 21-22